ECLI:NL:CRVB:2013:2464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs verwijtbaarheid alcoholgebruik tijdens werktijd voor WW-uitkering
Appellant was werkzaam als sociaal pedagogisch hulpverlener en werd op staande voet ontslagen wegens vermoedelijk alcoholgebruik tijdens werktijd. Het UWV wees een WW-uitkering af wegens verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op een rapport van een bezwaarverzekeringsarts die appellant niet persoonlijk onderzocht had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het rapport summier en onvolledig was en dat het UWV geen aanvullend onderzoek had gedaan naar de verwijtbaarheid van het gedrag van appellant. Gezien de chronische alcoholproblematiek en behandeling van appellant kon niet worden vastgesteld dat hem een verwijt gemaakt kon worden.
De Raad concludeerde dat het UWV het gebrek in de besluitvorming moet herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, omdat de verwijtbaarheid niet met de vereiste zorgvuldigheid was onderzocht. De vraag of het alcoholgebruik een dringende reden voor ontslag opleverde, bleef onbeantwoord.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig en volledig onderzoek bij het vaststellen van verwijtbare werkloosheid, zeker bij complexe problematiek zoals verslaving.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen wegens onvoldoende bewijs van verwijtbaarheid alcoholgebruik tijdens werktijd.