Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2011 gegrond;
- bepaalt dat het college aan betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig vennoot van een vennootschap onder firma (VOF) die een taxibedrijf exploiteerde, diende op 18 april 2011 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag aanvankelijk af, maar wijzigde dit besluit later deels door bijstand toe te kennen met een toeslag, waarbij de periode van 4 april tot en met 21 september 2011 nihil werd gesteld vanwege het feit dat appellant gemachtigd was over de bankrekening van de VOF te beschikken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze nihilstelling ongegrond, stellende dat appellant feitelijk over de tegoeden kon beschikken. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij formeel weliswaar gemachtigd was, maar feitelijk niet over de gelden kon beschikken omdat het geld toebehoorde aan de eigenaar van de eenmanszaak en niet aan hem.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het te ver gaat om zonder meer aan te nemen dat appellant over de tegoeden kon beschikken enkel op grond van zijn machtiging, mede omdat de bankrekening op naam van de inmiddels ontbonden VOF stond en appellant geen vennoot meer was. Ook de door het college aangevoerde omstandigheden boden geen voldoende aanknopingspunten dat appellant daadwerkelijk over de middelen kon beschikken. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover de bijstand nihil was gesteld en bepaalde dat de bijstand en toeslag over die periode betaalbaar worden gesteld. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstand en toeslag over de periode 4 april tot en met 21 september 2011 worden betaalbaar gesteld omdat appellant niet redelijkerwijs kon beschikken over de bankrekening van de VOF.