Appellant ontving van 30 november 2010 tot 1 augustus 2011 een Ziektewetuitkering. Deze werd beëindigd omdat hij per die datum weer geschikt werd geacht voor arbeid. Het UWV wees daarop zijn aanvraag voor een WW-uitkering af omdat appellant niet beschikbaar was voor arbeid. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze afwijzing, stellende dat hij nog niet hersteld was en wel beschikbaar voor arbeid.
De rechtbank oordeelde dat appellant feitelijk niet beschikbaar was omdat hij zelf aangaf niet beschikbaar te zijn en geen sollicitatie-inspanningen had verricht. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar voerde geen nieuwe feiten aan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het beroep. Tevens werd geoordeeld dat het UWV zijn discretionaire bevoegdheid correct had toegepast.
De Raad bevestigde de afwijzing van de WW-uitkering en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 13 november 2013.