Appellante, lijdende aan diverse psychische aandoeningen, diende in maart 2010 een aanvraag in bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor een indicatie Verblijf voor de periode 15 maart 2010 tot 15 maart 2011, waarin zij verbleef in een AWBZ-instelling voor thuisloze probleemjongeren. Het CIZ wees de indicatie Verblijf af omdat de zorg op psychisch gebied onder de Zorgverzekeringswet viel. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het CIZ.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij financieel belang had bij handhaving van haar beroep. De Raad vroeg nadere informatie op bij de instelling Maaszicht, waar appellante verbleef, die bevestigde dat er geen financieel belang voor appellante was omdat de zorg feitelijk was verleend zonder betalingsverplichting.
De Raad overwoog dat procesbelang vereist is om ontvankelijk te zijn in hoger beroep en dat een louter principieel belang onvoldoende is. Omdat appellante geen financieel of ander relevant belang had bij het verkrijgen van de indicatie voor een afgesloten periode, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.