ECLI:NL:CRVB:2013:2581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.J. Schaap
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor in Frankrijk woonachtige AOW-gerechtigde
Appellant, woonachtig in Frankrijk en AOW-gerechtigde, werd door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd over 2006 en 2007. Hij stelde bezwaar tegen de hoogte van deze bijdrage, met name tegen de AWBZ-component en de vaststelling van de woonlandfactor, en voerde aan dat sprake was van rechtsongelijkheid met in Nederland wonende Nederlanders.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad bevestigde dat appellant als verdragsgerechtigde een buitenlandbijdrage verschuldigd is en dat hij geen keuzerecht heeft, verwijzend naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-345/09). De Raad oordeelde dat de woonlandfactor, die de verhouding tussen het zorgpakket in het woonland en Nederland uitdrukt, de rechterlijke toets kan doorstaan.
Verder benadrukte de Raad dat de AWBZ-bijdrage slechts een component is in de berekening en dat de lagere zorgverstrekking in Frankrijk wordt weerspiegeld in een lagere bijdrage. De woonlandfactor voor Frankrijk bedroeg circa 0,66 tot 0,69, wat betekent dat de bijdrage van appellant ongeveer twee derde van de Nederlandse premie is. De Raad stelde dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat ongelijke gevallen ongelijk mogen worden behandeld tenzij sprake is van overduidelijke onevenredigheid, wat hier niet het geval was.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de buitenlandbijdrage Zvw voor appellant wordt bevestigd.