Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2581

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
11-7216 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening (EEG) nr. 1408/71artikel 6.3.1 Regeling zorgverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor in Frankrijk woonachtige AOW-gerechtigde

Appellant, woonachtig in Frankrijk en AOW-gerechtigde, werd door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) een buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd over 2006 en 2007. Hij stelde bezwaar tegen de hoogte van deze bijdrage, met name tegen de AWBZ-component en de vaststelling van de woonlandfactor, en voerde aan dat sprake was van rechtsongelijkheid met in Nederland wonende Nederlanders.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad bevestigde dat appellant als verdragsgerechtigde een buitenlandbijdrage verschuldigd is en dat hij geen keuzerecht heeft, verwijzend naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C-345/09). De Raad oordeelde dat de woonlandfactor, die de verhouding tussen het zorgpakket in het woonland en Nederland uitdrukt, de rechterlijke toets kan doorstaan.

Verder benadrukte de Raad dat de AWBZ-bijdrage slechts een component is in de berekening en dat de lagere zorgverstrekking in Frankrijk wordt weerspiegeld in een lagere bijdrage. De woonlandfactor voor Frankrijk bedroeg circa 0,66 tot 0,69, wat betekent dat de bijdrage van appellant ongeveer twee derde van de Nederlandse premie is. De Raad stelde dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat ongelijke gevallen ongelijk mogen worden behandeld tenzij sprake is van overduidelijke onevenredigheid, wat hier niet het geval was.

Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de buitenlandbijdrage Zvw voor appellant wordt bevestigd.

Uitspraak

11/7216 ZVW
Datum uitspraak: 27 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 november 2011, 10/2801 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellant)
College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellant is - zoals tevoren aangekondigd - niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont in Frankrijk en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
1.2.
Ingevolge de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in het woonland (Frankrijk), ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat appellant met ingang van 1 januari 2006 in Frankrijk is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.
1.3.
Bij besluiten van 7 en 22 maart 2010 heeft Cvz aan appellant de definitieve jaarafrekeningen over 2006 en 2007 toegezonden, waarbij de buitenlandbijdragen over 2006 en 2007 zijn vastgesteld op € 3.741,48 en € 3.928,77.
1.4.
Bij besluit van 25 mei 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 en 22 maart 2010 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant is sprake van rechtsongelijkheid tussen Nederlanders die in Nederland wonen en Nederlanders die in het buitenland wonen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de vaststelling van de buitenlandbijdrage, en wel met name de AWBZ-component en de hoogte van de woonlandfactor, niet inzichtelijk is. Ten slotte heeft hij de wijze waarop de woonlandfactor wordt bepaald, betwist.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant verdragsgerechtigde is, dat hij een buitenlandbijdrage verschuldigd is, dat hij - onder verwijzing naar het arrest van
14 oktober 2010 (zaak C-345/09) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - geen keuzerecht had en dat gelet op vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van
26 augustus 2009, LJN BJ6362) de woonlandfactor de rechterlijke toets kan doorstaan.
4.2.
Wat betreft (de hoogte van) de buitenlandbijdrage wordt het volgende opgemerkt. De bijdrage AWBZ is slechts een component in de berekening van de totale buitenlandbijdrage voor zorg in het woonland. De hoogte van de totale buitenlandbijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. De regeling van de woonlandfactor is neergelegd in artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering (Regeling). De hoogte van de woonlandfactor wordt jaarlijks door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vastgesteld in de bijlage bij artikel 6.3.1 van de Regeling. Met deze woonlandfactor wordt tot uitdrukking gebracht in welke mate de in het woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. Door toepassing van de woonlandfactor draagt appellant niet bij voor (AWBZ) zorg die niet valt in het Franse pakket van de sociale zorgverzekering. Er is ook geen sprake van een AWBZ-premiedeel in de buitenlandbijdrage, maar slechts van een aan de AWBZ ontleende berekeningssystematiek voor de berekening van de buitenlandbijdrage.
4.3.
Ten overvloede en ter voorlichting van appellant wijst de Raad nog op het volgende. Het verstrekkingenniveau in Frankrijk is in vergelijking met het verstrekkingenniveau in Nederland weliswaar lager, maar daar staat tegenover dat de door appellant te betalen buitenlandbijdrage navenant lager is dan de Zvw-premie die ingezetenen van Nederland betalen. De woonlandfactor voor Frankrijk was voor 2006 en 2007 vastgesteld op 0,6633 en 0,6935, wat betekent dat de bijdrage die appellant verschuldigd was, circa twee derde bedroeg van de premie die hij als ingezetene van Nederland zou moeten betalen. De Raad wijst verder op zijn uitspraak van 26 augustus 2009, LJN BJ6362. In deze uitspraak bepaalde de Raad in de eerste plaats dat in het buitenland woonachtige premieplichtigen ten opzichte van in Nederland woonachtige premieplichtigen niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt. Zij worden ten opzichte van deze groep ook ongelijk behandeld, nu op de door hen te betalen bijdrage Zvw de woonlandfactor van toepassing is, die doorgaans tot een lagere bijdrage leidt dan de premie die vergelijkbare in Nederland woonachtige personen betalen. Het gelijkheidsbeginsel verplicht ertoe gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid. Discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld doet zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid. Van een dergelijke overduidelijke onevenredigheid was bij de voor 2006 vastgestelde woonlandfactoren, waaronder die van Frankrijk, aldus de Raad in genoemde uitspraak, geen sprake.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) D.E.P.M. Bary

RH