ECLI:NL:CRVB:2013:2589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- J.S. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid bij weigering IVA-uitkering na weigering EMDR-therapie
Appellante is sinds 2 juli 2007 arbeidsongeschikt door psychische en lichamelijke klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 51%. Na bezwaar verhoogde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden naar 80-100%, maar de rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en beval een nieuw besluit vanwege het ontbreken van een individuele inschatting van herstelmogelijkheden.
Het UWV wees het bezwaar opnieuw af met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts, waarin werd gesteld dat er nog een behandelmethode openstond, namelijk EMDR-therapie, die effectief kon zijn voor appellante. Appellante weigerde deze therapie te ondergaan en voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom EMDR in haar specifieke geval succesvol zou zijn.
De Raad stelde vast dat partijen het eens waren over de volledige arbeidsongeschiktheid, maar verdeeld waren over de duurzaamheid daarvan. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was omdat er nog kans op herstel was via EMDR-therapie. Omdat appellante geen nieuwe medische informatie aanleverde, werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de IVA-uitkering wordt bevestigd.