Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2592

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
12-4167 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant is sinds 9 maart 2009 arbeidsongeschikt vanwege psychische en lichamelijke klachten na een verkeersongeval. Hij vroeg op 6 december 2010 een WIA-uitkering aan, die door het UWV op 22 februari 2011 werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen passend waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende informatie was ingewonnen bij de behandelend sector en dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds gemotiveerd zijn behandeld. Er is geen nieuwe medische informatie die aanleiding geeft tot een ander oordeel. De Raad bevestigt dat de geduide functies passend zijn binnen de vastgestelde beperkingen en wijst het hoger beroep af.

De Raad wijst ook het verzoek af om een deskundige te benoemen en ziet geen reden voor proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

12/4167 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 juni 2012, 11/4121 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.L.D. Thomas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. I.J.G. van Raab van Canstein, kantoorgenoot van mr. Thomas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 9 maart 2009, uitgevallen voor zijn werk als medewerker transport bij TNT Post via een uitzendbureau, vanwege psychische en lichamelijke klachten na een ongeval met een auto.
1.2. Appellant heeft op 6 december 2010 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Met inachtneming van de bevindingen uit verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 22 februari 2011 aan appellant meegedeeld dat hij per 11 maart 2011 geen
WIA-uitkering kan krijgen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3. Bij besluit van 18 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 februari 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is het rapport van bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg van 5 juli 2011 ten grondslag gelegd.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest of tot onjuiste vaststelling van de belastbaarheid van appellant heeft geleid. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie van de behandelend sector bij de beoordeling heeft betrokken. Uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen over de voor appellant geldende beperkingen. Daarbij is rekening gehouden met de diagnose PTSS en ook met de latere informatie van behandelend psychiater S. Sidali. Ook is rekening gehouden met informatie van de neuroloog en de diagnose radiculopathie. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
27 januari 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant geduide functies in medisch opzicht als passend kunnen worden beschouwd. Het Uwv heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat appellant op de datum in geding, 11 maart 2011, voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom vanaf die datum niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
3.
In hoger beroep heeft appellant (samengevat) zijn standpunt herhaald dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende informatie is opgevraagd bij de behandelend sector, waardoor zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Appellant lijdt psychisch in bijzondere mate, hetgeen onvoldoende tot uitdrukking komt in de mate van arbeidsongeschiktheid en de FML. Vanwege zijn lichamelijke en psychische beperkingen acht appellant de geduide functies niet geschikt.
4.
De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de medische beoordeling van zijn belastbaarheid, is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. Deze gronden zijn door de rechtbank volledig en afdoende gemotiveerd aan de orde gesteld in de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen relevante informatie van de behandelend sector is gemist, evenmin heeft hij nieuwe medische informatie overgelegd die noopt tot een andersluidend oordeel met betrekking tot de voor hem per datum in geding geldende beperkingen. Er is dan ook geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige, het daartoe ter zitting namens appellant gedane verzoek wordt afgewezen.
4.2.
Gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige van 15 februari 2011, gelezen in samenhang met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 9 november 2011, zijn de voorkomende signaleringen in het resultaat functiebeoordelingen voorzien van een voldoende inzichtelijke en overtuigende motivering en zijn de geduide functies passend te achten binnen de in de FML van 27 januari 2011 voor appellant vastgestelde beperkingen.
4.3.
Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013.
(getekend) Ch. Van Voorst
(getekend) K.E. Haan

RH