ECLI:NL:CRVB:2013:2603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Herstel gebreken in UWV-besluit over Wajong-uitkering wegens onjuiste beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, geboren in 1974, vroeg op 5 februari 2008 een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees dit af omdat zij op haar zeventiende niet arbeidsongeschikt was en niet ten minste zes maanden studerend arbeidsongeschikt was voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 1 september 1992 en stelde functionele mogelijkhedenlijsten (FML) op die een verbetering van haar beperkingen suggereerden. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat het verlies aan verdiencapaciteit nihil was, wat leidde tot afwijzing van de uitkering.
De rechtbank onderschreef het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bracht appellante naar voren dat de ziekte van Bechterew een progressief verloop kent en dat de beperkingen niet waren verbeterd. De door de Raad benoemde deskundige concludeerde dat er sprake was van een actieve evoluerende ziekteperiode tot november 1993, waarna verbetering werd vastgesteld.
De Raad constateerde dat het UWV onterecht de arbeidsongeschiktheid op de datum van ingezetenschap (5 februari 1993) en 52 weken daarna heeft beoordeeld, terwijl dit niet relevant was. Tevens heeft het UWV onvoldoende onderzocht of appellante haar ingezetenschap had behouden en of zij als studerende arbeidsongeschikt was geworden. Hierdoor berust het besluit op een onjuiste grondslag en is herstel van het besluit noodzakelijk.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, met inachtneming van de toepasselijke overgangsbepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wajong.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de Wajong-uitkering binnen zes weken te herstellen vanwege gebreken in voorbereiding en motivering.