Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:2611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2013
Publicatiedatum
28 november 2013
Zaaknummer
13-1940 BESLU
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) en vorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De zaak werd aanvankelijk behandeld door de Raadskamer WUBO, later overgenomen door de PUR.

Na eerdere uitspraak waarbij het onderzoek werd heropend voor een nadere uitspraak over de schadevergoeding, hebben partijen schriftelijke uiteenzettingen ingediend. De Raad besloot het onderzoek zonder zitting te sluiten.

Partijen waren het eens over de overschrijding van bijna een jaar en de bereidheid van de Staat tot vergoeding van € 1.000,-. Het geschil betrof alleen de proceskosten. De Raad oordeelde dat er geen procesbelang bestond bij het verzoek om schadevergoeding en verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk.

Tegelijk veroordeelde de Raad de Staat en de PUR elk tot betaling van de helft van de proceskosten van verzoeker, begroot op € 472,-. De uitspraak werd gedaan door A. Beuker-Tilstra op 28 november 2013.

Uitkomst: Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt niet-ontvankelijk verklaard; Staat en PUR veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

13/1940 BESLU, 13/1941 BESLU
Datum uitspraak: 28 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)
PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de PUR, is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de PUR als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de PUR wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.
Namens verzoeker heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van de PUR van 25 juni 2010, kenmerk BZ9423, JZ/L70/2010.
Bij uitspraak van 18 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7877, heeft de Raad op dit beroep beslist. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de PUR en de Staat is bij brieven van respectievelijk 11 juni 2013 en 26 juni 2013 een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Mr. Van Berkel heeft namens verzoeker bij brief van 28 juni 2013 gereageerd op de schriftelijke uiteenzetting van de PUR en heeft bij brief van 18 juli 2013 gereageerd op de schriftelijke uiteenzetting van de Staat. Op de brief van 28 juni 2013 is namens de PUR gereageerd bij brief van 25 juli 2013. Op deze brief is namens verzoeker door mr. Van Berkel een reactie gegeven bij brief van 15 augustus 2013 en namens de Staat bij brief van 20 augustus 2013. Namens verzoeker heeft mr. Van Berkel bij brieven van 16 september 2013 en 24 september 2013 namens de Raad gestelde vragen beantwoord.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
Uit de inhoud van de onder procesverloop beschreven briefwisseling blijkt dat partijen het er over eens zijn dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM in totaal met bijna een jaar is overschreden. De vertraging heeft deels in de rechterlijke fase en deels in bestuurlijke fase plaatsgevonden. De Staat heeft zich bereid verklaard een bedrag van
€ 1.000,- aan verzoeker te vergoeden. Verzoeker kan zich hiermee verenigen.
2.
Het geschil tussen verzoeker en de Staat en de PUR heeft uitsluitend nog betrekking op de proceskosten. De Staat en de PUR hebben zich hierover niet uitgelaten.
3.
De Raad overweegt het volgende.
3.1.
De Raad stelt vast dat geen geschil meer bestaat over de door verzoeker verzochte schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Nu volgens vaste rechtspraak van de Raad geen procesbelang kan worden ontleend aan de door verzoeker verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten, moet het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.2.
Wat betreft de proceskosten ziet de Raad aanleiding de Staat en de PUR te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedures. Deze kosten worden begroot op
€ 472,- voor verleende rechtsbijstand, door de Staat en de PUR elk voor de helft te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-;
- veroordeelt de PUR in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) S.K. Dekker

HD