ECLI:NL:CRVB:2013:2636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum IOAW-uitkering bij terugvordering loon en registratie als werkzoekende
Appellant ontving een IOAW-uitkering die door het college werd ingetrokken per 1 december 2010 vanwege een hoger inkomen. Na het einde van zijn dienstverband ontving appellant onterecht loon over december 2010 en januari 2011, dat door de werkgever werd teruggevorderd. Appellant vroeg de IOAW-uitkering opnieuw aan met ingang van 16 november 2010, de datum van zijn registratie als werkzoekende.
Het college kende de uitkering toe vanaf 3 maart 2011 en weigerde deze over de periode van 16 november 2010 tot 3 maart 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren om de uitkering eerder toe te kennen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door de terugvordering van loon feitelijk niet over voldoende middelen beschikte en dat hij mocht vertrouwen op automatische hernieuwde betaling van de uitkering na tijdelijke werkzaamheden. De Raad oordeelde dat het college terecht geen bijzondere omstandigheden aannam en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens het ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen.
De Raad maakte onderscheid tussen twee periodes: voor en na het intrekkingsbesluit van 14 januari 2011. Voor de eerste periode was geen inhoudelijke toetsing mogelijk vanwege het ontbreken van nieuwe feiten. Voor de tweede periode was geen recht op uitkering voor de aanvraagdatum, en appellant had niet aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de IOAW-uitkering over de periode vóór 3 maart 2011 wordt bevestigd.