Appellant, een allround politiemedewerker, verzocht de korpschef om met terugwerkende kracht zijn inschaling te wijzigen van schaal 7, trede 3 naar schaal 7, trede 6, gebaseerd op een vermeende wijziging van het gespreksformulier zonder zijn medeweten. De korpschef wees dit verzoek af omdat de inschaling correct was en appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de salarisspecificaties na bevordering.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het verzoek als bezwaar had gekwalificeerd en dat de inschaling in schaal 7, trede 3 in rechte onaantastbaar was geworden.
De Raad maakte onderscheid tussen de toetsing van het verleden en de toekomst bij duuraanspraken. Voor het verleden geldt dat alleen bij nieuwe feiten of omstandigheden herziening mogelijk is. Voor de toekomst geldt een minder terughoudende toetsing. De Raad concludeerde dat appellant geen feiten had aangevoerd die een hogere inschaling rechtvaardigen, noch voor de periode voorafgaand aan het verzoek, noch daarna.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepaling over de heropening van het onderzoek voor schadevergoeding en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd de korpschef veroordeeld tot betaling van de proceskosten en terugbetaling van het griffierecht aan appellant.