ECLI:NL:CRVB:2013:2707

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2013
Publicatiedatum
6 december 2013
Zaaknummer
12-1735 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 18a Wet financiering volksverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek korting AOW-pensioen wegens schuldig nalatigheid

Appellante werd bij besluit van 11 mei 2006 schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van de AOW-premie over 1998. Na bezwaar en beroep werd dit besluit gehandhaafd. In 2009 werd aan appellante een ouderdomspensioen toegekend met een korting van 2% vanwege deze schuldig nalatigheid.

Appellante verzocht in 2011 om herziening van dit besluit, stellende dat de korting gebaseerd was op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat er premies waren ingehouden op haar loon en uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af, waarna ook de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de Belastingdienst een te hoog inkomen had gehanteerd bij het opleggen van de aanslag. De Raad overwoog dat de Svb bevoegd was het besluit te heroverwegen maar dat zonder nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden het oorspronkelijke besluit stand kon houden.

De Raad concludeerde dat de betwisting van de aanslag niet tot herziening kan leiden, omdat artikel 18a van de Wet financiering volksverzekeringen bepaalt dat het beroep niet gegrond kan zijn op het verweer dat de aanslag onjuist is. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de korting op het AOW-pensioen wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

12/1735 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van
20 februari 2012, 11/2013 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats](appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. F.A.J.Th. Kalberg hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is namens appellante bij brieven van 27 augustus 2012, 12 april 2013 en 12 en
24 oktober 2013 een nadere toelichting gegeven op de gronden van het hoger beroep.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2013. Appellante is daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft de Svb appellante voor 100% schuldig nalatig verklaard de over 1998 verschuldigde premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) te betalen. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 1 september 2006. Vervolgens heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank
Zwolle-Lelystad tegen de beslissing op bezwaar. Dit beroep is bij uitspraak van
20 maart 2007 ongegrond verklaard. Het daarop door appellante ingestelde hoger beroep is door de Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
1.2. Bij besluit van 13 februari 2008 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat van de Belastingdienst is vernomen dat appellante alsnog een deel van de verschuldigde premie AOW over 1998 heeft betaald en dat nader is besloten de schuldig nalatigheid over 1998 te herzien en nader vast te stellen op 73%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de Svb niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 21 mei 2008. De rechtbank heeft het door appellante tegen het besluit van 21 mei 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.3. De Svb heeft vervolgens bij besluit van 26 februari 2009 met ingang van augustus 2009 aan appellante een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend ter hoogte van 98% van het volledige pensioen voor een alleenstaande. De korting van 2% op het pensioen is gebaseerd op de schuldig nalatigheid van appellante over het jaar 1998. Appellante heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.
1.4. Bij brief van 14 juni 2011 heeft appellante de Svb verzocht het besluit van 26 februari 2009 te herzien. Daarbij is aangevoerd dat de korting van 2% gebaseerd is op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat in 1998 op haar loon en haar uitkering toen premie voor de AOW is ingehouden door respectievelijk de werkgever en de uitkerende instantie.
1.5. Bij besluit van 10 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb, na bezwaar van appellante, gehandhaafd zijn besluit van 22 juni 2011, waarbij het verzoek om herziening van het besluit van 26 februari 2009 is afgewezen. Daartoe is overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden en dat geen objectiveerbaar feit is aangevoerd dat aanleiding geeft om de korting op het pensioen ongedaan te maken.
2.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat de korting van 2% op haar ouderdomspensioen gebaseerd is op een onjuiste feitelijke grondslag. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat de Belastingdienst uitgegaan is van een te hoog inkomen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het bestreden besluit behelst de weigering van de Svb om terug te komen van het onherroepelijk geworden besluit van 26 februari 2009, waarin aan appellante met ingang van augustus 2009 een ouderdomspensioen is toegekend met een korting van 2%. De Svb heeft de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld hetgeen niet tot een andere uitkomst heeft geleid.
4.2.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (ECLI:NL:CRVB:2001:AB0250). Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna zal het in beginsel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is immers voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.
4.3.
Ten aanzien van periode voorafgaand aan het verzoek van appellante van 14 juni 2011 wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn aangevoerd. Dit betekent dat de Svb met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft kunnen besluiten niet terug te komen van het besluit van 26 februari 2009.
4.4.
Ten aanzien van de periode vanaf het verzoek van appellante van 14 juni 2011 moet geconcludeerd worden dat uit hetgeen door en namens appellante is aangevoerd, niet blijkt dat de korting van 2% op het AOW-pensioen van appellante onjuist is. Vaststaat dat de Belastingdienst over het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen heeft opgelegd aan appellante, die voor een deel niet door appellante is betaald. Dit feit heeft geleid tot het schuldig nalatig verklaren van appellante over 1998. Appellante betwist de juistheid van die aanslag van de Belastingdienst over 1998 en heeft daarover inmiddels kennelijk ook een procedure aanhangig gemaakt tegen de Belastingdienst. De betwisting van de juistheid van de aanslag kan niet leiden tot de conclusie dat de korting op het ouderdomspensioen onjuist is. In artikel 18a van de Wet financiering volksverzekeringen is immers expliciet bepaald dat in het kader van de beoordeling van de schuldig nalatigheid het beroep niet gegrond kan zijn op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Dit betekent dat de Svb bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing heeft kunnen komen.
4.5.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2013.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) S. Aaliouli

RH