Uitspraak
mr. A. van der Weerd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante werd bij besluit van 11 mei 2006 schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van de AOW-premie over 1998. Na bezwaar en beroep werd dit besluit gehandhaafd. In 2009 werd aan appellante een ouderdomspensioen toegekend met een korting van 2% vanwege deze schuldig nalatigheid.
Appellante verzocht in 2011 om herziening van dit besluit, stellende dat de korting gebaseerd was op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat er premies waren ingehouden op haar loon en uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af, waarna ook de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de Belastingdienst een te hoog inkomen had gehanteerd bij het opleggen van de aanslag. De Raad overwoog dat de Svb bevoegd was het besluit te heroverwegen maar dat zonder nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden het oorspronkelijke besluit stand kon houden.
De Raad concludeerde dat de betwisting van de aanslag niet tot herziening kan leiden, omdat artikel 18a van de Wet financiering volksverzekeringen bepaalt dat het beroep niet gegrond kan zijn op het verweer dat de aanslag onjuist is. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de korting op het AOW-pensioen wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.