ECLI:NL:CRVB:2013:2742
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opschorting bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en hoofdverblijfkwestie
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres te Zwolle. Het college stelde twijfel over de rechtmatigheid van de bijstand vast en voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek. Uit het onderzoek bleek dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, maar slechts incidenteel verbleef en geen eigen kamer had. Het college schortte daarom de bijstand op en trok deze later in wegens het niet herstellen van het inlichtingenverzuim.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het intrekkingsbesluit in rechte onaantastbaar zou zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het intrekkingsbesluit niet bekend was gemaakt en dus niet onaantastbaar was, waardoor appellant wel procesbelang had.
De Raad beoordeelde vervolgens de opschorting zelf en oordeelde dat het college terecht een huisbezoek had verricht op grond van redelijke twijfel aan de juistheid van de opgegeven woongegevens. Het huisrecht van appellant was niet geschonden, omdat geen exclusieve ruimtes werden betreden en 'informed consent' niet vereist was. Appellant had zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting had geschonden. De opschorting was daarom rechtmatig en proportioneel.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek tot schadevergoeding af en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het opschortingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.