ECLI:NL:CRVB:2013:2824

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
12-4853 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WWArt. 5 Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WWWerkloosheidswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WW-uitkering ondanks verwachting appellant over berekeningswijze

Appellant ontving vanaf 1 augustus 2006 een WW-uitkering en startte op 1 januari 2007 een eigen bedrijf. Zijn WW-uitkering werd op voorschot verstrekt en op 2 juli 2007 beëindigd vanwege volledige zelfstandige werkzaamheden. In een brief van 23 juli 2007 werd vermeld dat de inkomsten uit 2007 en 2008 zouden worden gebruikt voor verrekening.

In 2011 vorderde het Uwv €13.738,40 terug op basis van de winst over 2007, conform het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de verrekening ook over 2008 had moeten plaatsvinden, verwijzend naar gesprekken met Uwv-medewerkers en de brief van 23 juli 2007.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat niet aannemelijk was dat de mededelingen van het Uwv gedragsbepalend waren geweest. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de berekening van het Uwv juist was volgens artikel 3 van Pro het Besluit en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op basis van de brief of gesprekken zijn fiscale keuzes had aangepast.

De Raad concludeerde dat het Uwv niet gehouden was af te wijken van de dwingende wettelijke berekeningswijze en bevestigde de eerdere uitspraak zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WW-uitkering op basis van de wettelijke berekeningswijze.

Uitspraak

12/4853 WW
Datum uitspraak: 11 december 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 juli 2012, 12/342 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1.
Appellant heeft met ingang van 1 augustus 2006 recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 1 oktober 2006 is voor hem een zogenoemde oriëntatieperiode ingegaan. Op 1 januari 2007 is appellant vervolgens met toestemming van het Uwv gestart met een eigen bedrijf. In verband daarmee werd zijn WW-uitkering op voorschot verstrekt. Op 2 juli 2007 is de WW-uitkering beëindigd in verband met het feit dat appellant volledig werkzaam was als zelfstandige. In het betreffende besluit van 23 juli 2007 is de volgende passage opgenomen:
“Op uw WW-uitkering van 1 januari 2007 tot 2 juli 2007 moet 70% van uw inkomsten uit uw zelfstandig ondernemerschap in mindering worden gebracht. Voor het vaststellen van deze inkomsten moeten wij uitgaan van uw belastbare winst uit uw onderneming over de kalenderjaren 2007 en 2008. Wij zullen u t.z.t. vragen ons hierover te informeren.”
2.
Bij besluit van 18 juli 2011 heeft het Uwv van appellant € 13.738,40 teruggevorderd. Het Uwv heeft daartoe gesteld dat appellant van 1 januari 2007 tot en met 1 juli 2007 zijn
WW-uitkering op voorschot heeft ontvangen en dat op basis van gegevens van de Belastingdienst is berekend dat appellant een gedeelte moet terugbetalen.
3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juli 2011. Bij besluit van
3 november 2011 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat de WW-uitkering op voorschot was verstrekt en dat de verrekening was aangekondigd. Het Uwv wijst erop dat die werkwijze ook staat beschreven in de brochure ‘Kan ik met een uitkering ook voor mezelf beginnen?’. Onder verwijzing naar de toepasselijke regeling heeft het Uwv uitgelegd dat in het geval van appellant, door de start van het eigen bedrijf op 1 januari 2007, slechts de inkomsten uit 2007 meespelen bij de berekening van de verrekening.
4.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank daartoe overwogen dat niet is gebleken dat mededelingen van de zijde van het Uwv over het gebruik van winstcijfers over 2007 en 2008 voor appellant gedragsbepalend zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat hij niet dan wel bezwaarlijk te herstellen handelingen heeft gepleegd die hij anders had nagelaten.
5.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de terugvordering zou moeten geschieden op basis van de winst in zijn bedrijf over de jaren 2007 en 2008. Daarvoor verwijst appellant naar gesprekken die hij heeft gevoerd met medewerkers van het Uwv en naar de hiervoor, onder 1, weergegeven passage uit de brief van 23 juli 2007.
5.2.
Ter zitting heeft het Uwv erkend dat de betreffende passage wellicht een verkeerde indruk kan hebben gewekt. Het Uwv heeft er echter op gewezen dat die verwachtingen niet van invloed zijn geweest op het gedrag van appellant. Voorts is erop gewezen dat op
30 juli 2007 telefonisch contact is geweest met appellant en uitleg is gegeven over hoe de procedure te zijner tijd zou verlopen.
6.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de eerste drie alinea’s van onderdeel 3.2 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt nog toegevoegd dat artikel 3 van Pro het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW (Besluit) voorschrijft hoe de berekening van inkomsten uit arbeid van de startende zelfstandige dient te geschieden.
6.2.
Ter zitting is vastgesteld dat appellant niet betwist dat de door het Uwv verrichte berekening van de terugvordering juist is, indien de methode uit artikel 5 van Pro het Besluit wordt gevolgd. Het hoger beroep beperkt zich dan ook tot de vraag of het Uwv gehouden is om, vanwege een bij appellant levende verwachting, af te zien van de dwingend voorgeschreven toepassing van artikel 3 van Pro het Besluit.
6.3.
Dat appellant in mondelinge contacten door medewerkers van het Uwv te kennen zou zijn gegeven dat het te verrekenen inkomen zou worden gebaseerd op de inkomsten uit de jaren 2007 en 2008, blijkt niet uit de stukken en is door appellant ook niet aannemelijk gemaakt. Wel is er de passage in de brief van 23 juli 2007 die op een dergelijke wijze van berekening duidt. Dat die passage bepalend kon zijn danwel is geweest voor het gedrag van appellant bij de door hem gemaakte fiscale keuzes of de inrichting van zijn financiën is door hem niet aannemelijk gemaakt.
6.4.
De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
7.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D.E.P.M. Bary

RB