ECLI:NL:CRVB:2013:2826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.T. van den Corput
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Toekenning WAO-uitkering bij geschil over arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellant ontving sinds 2000 een WAO-uitkering met wisselende arbeidsongeschiktheidspercentages, die meerdere keren werd ingetrokken en opnieuw toegekend. Na een ziekmelding in 2008 volgden diverse beoordelingen in het kader van de Ziektewet (ZW) en WAO. De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waaruit een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% werd berekend. Het UWV wees het bezwaar van appellant tegen deze beoordeling af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de ZW-beoordeling niet relevant was voor de WAO-beoordeling omdat deze op verschillende maatstaven was gebaseerd. Appellant stelde in hoger beroep dat de ZW-beoordeling wel degelijk relevant was, omdat deze niet alleen het eigen werk betrof, maar arbeid in het algemeen, en dat re-integratie toen als zinloos werd beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat er een niet nader gemotiveerd verschil van inzicht bestond tussen de WAO- en ZW-verzekeringsartsen. Tevens concludeerde de Raad dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had onderzocht en gemotiveerd, met name doordat geen contact was opgenomen met de ZW-verzekeringsarts. Daarom droeg de Raad het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de WAO-uitkering binnen zes weken te herzien vanwege onvoldoende gemotiveerde en niet zorgvuldig onderzochte arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.