ECLI:NL:CRVB:2013:2831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- C.C.W. Lange
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging WW-uitkering en afwijzing compensatie
Appellante ontving een WW-uitkering die aanvankelijk was toegekend tot 3 december 2012, maar het UWV stelde later vast dat de uitkering wettelijk al op 3 december 2011 had moeten eindigen. Het UWV verlengde de uitkering tot 10 mei 2012 als uitloopperiode. Appellante maakte bezwaar tegen deze verkorting en vorderde financiële compensatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het besluit mocht herzien omdat de oorspronkelijke duur in strijd was met de wet. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV gehouden was aan de oorspronkelijke mededeling en dat zij schade had geleden door het eerdere einde van de uitkering.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV fouten mag herstellen mits dit gebeurt met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder een zorgvuldige belangenafweging en rechtszekerheid. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij langlopende financiële verplichtingen was aangegaan in vertrouwen op de oorspronkelijke uitkeringsduur. De lening voor een CV-ketel was na beëindiging afgesloten en betrof een noodzakelijke voorziening.
Het UWV had de belangen zorgvuldig afgewogen door een uitloopperiode toe te staan. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees de vordering tot compensatie af. Ook werd geen vergoeding van het griffierecht toegekend. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 december 2013.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot beëindiging van de WW-uitkering en wijst het hoger beroep af.