ECLI:NL:CRVB:2013:2849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand na verklaring appellant over werkzaamheden als priester
Appellant ontving bijstand sinds juli 2009 en gaf tijdens een gesprek op 18 april 2011 aan zijn bijstand te willen beëindigen vanwege werkzaamheden als priester binnen de Hindoestaanse gemeenschap. Hij ondertekende een gespreksverslag waarin deze verklaring was vastgelegd. Het college beëindigde daarop de bijstand per 1 mei 2011 en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onder druk was gezet, de vragen suggestief waren en dat hij geen tolk had, waardoor hij de gevolgen van zijn verklaring niet begreep. Ook stelde hij dat medische omstandigheden hem verhinderen aan zijn verklaring gehouden te worden. Hij had zijn verklaring later ingetrokken.
De Raad oordeelde dat de ondertekende verklaring als juiste weergave geldt en dat de latere intrekking weinig gewicht heeft. Er was geen bewijs van onvrijwillige verklaring of onaanvaardbare druk. Het college mocht erop vertrouwen dat appellant zijn verklaring vrijwillig en bewust had afgelegd. Medische omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstand wordt beëindigd op basis van de door appellant afgelegde en ondertekende verklaring, het hoger beroep wordt afgewezen.