ECLI:NL:CRVB:2013:2880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellant diende op 1 juni 2011 een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij hij als woonadres een adres te [woonplaats] opgaf. De Dienst Werk en Inkomen voerde dossieronderzoek uit, hield een gesprek en een huisbezoek op 20 juni 2011. Op basis van de bevindingen, waaronder het ontbreken van levensmiddelen en administratie in de woning, en tegenstrijdige verklaringen van appellant, besloot het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op 22 juni 2011 de aanvraag af te wijzen wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd bij besluit van 29 augustus 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat voor de toepassing van de WWB essentieel is dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de aanvrager. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij woonde op het opgegeven adres. De bevindingen van het huisbezoek, waaronder het ontbreken van persoonlijke spullen en onjuiste aanwijzingen over de woning, werden als betrouwbaar beoordeeld. De enkele stelling van appellant dat zijn administratie bij zijn dochter lag en dat de keukeninrichting niet was beschreven, was onvoldoende om de bevindingen te weerleggen.
Gelet hierop werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 december 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens niet-nakoming van de inlichtingenverplichting over het woonadres.