ECLI:NL:CRVB:2013:2918
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- B.M. van Dun
- H.G. Rottier
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging dienstverband
Appellante was sinds 1998 werkzaam als [naam functie] bij een dierenkliniek en nam vanaf september 2010 feitelijk de leiding over vanwege de arbeidsongeschiktheid van haar werkgeefster en andere medewerkers. Door de uitzonderlijke druk en emotionele belasting, mede door privéproblemen van haar werkgeefster, was voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar te verlangen.
Appellante nam ontslag per 1 april 2011 en vroeg een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij vond dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden, omdat zij het dienstverband op eigen verzoek had beëindigd zonder dat er zodanige bezwaren waren dat voortzetting niet kon worden gevergd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden waaronder appellante werkte. Hierdoor was de weigering van de WW-uitkering onterecht. De Raad draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze omstandigheden.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de WW-uitkering geweigerd; het moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met de uitzonderlijke omstandigheden.