Appellante, geboren in 1992, vroeg in november 2010 een uitkering aan op grond van de Wet Wajong. Het UWV weigerde deze uitkering omdat niet was gebleken dat zij gedurende 52 weken minder dan 75% van het minimumjeugdloon kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische beoordeling in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist was en de voorgehouden functies geschikt waren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten, zoals verergering bij bewegen, onvoldoende waren meegenomen, met name ten aanzien van werktijden. Het UWV herzag het besluit en handhaafde alsnog de afwijzing met gewijzigde motivering. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere vonnis en het eerste bezwaarbesluit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede bezwaarbesluit ongegrond.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling, inclusief de FML, voldoende was gemotiveerd en dat de door de arbeidsdeskundige genoemde functies een verdiencapaciteit boden die hoger lag dan het wettelijk minimumjeugdloon. De aanvullende medische stukken en psychodiagnostische onderzoeken leidden niet tot twijfel aan de juistheid van de FML. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.