ECLI:NL:CRVB:2013:887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- W.F. Claessens
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onrechtmatige werkzaamheden bij reisbureau
Appellanten ontvingen sinds 2004 bijstand op grond van de WWB. Na een anonieme melding in 2009 over zwartwerken bij een bedrijf en bijverdiensten, startte de gemeente Amsterdam in 2011 een onderzoek. Handhavingsspecialisten verrichtten waarnemingen bij een onderneming en later ook bij een reisbureau waar appellant werd gezien tijdens reguliere uren.
Het college trok de bijstand in per 21 februari 2011 vanwege het niet melden van werkzaamheden bij het reisbureau, waarbij appellant zijn inlichtingenplicht zou hebben geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de anonieme melding voldoende aanleiding vormde voor het onderzoek en dat de waarnemingen bij het reisbureau proportioneel en subsidiariteitseisen respecteerden. De combinatie van waarnemingen en de verklaring van appellante vormen een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant werkzaam was bij het reisbureau.
De Raad verwerpt het verweer dat de waarnemingen onrechtmatig verkregen bewijs zijn en wijst erop dat de verklaring van appellante, hoewel niet ondertekend, consistent en gedetailleerd is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens onrechtmatige werkzaamheden bij het reisbureau wordt bevestigd.