ECLI:NL:CRVB:2013:980

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2013
Publicatiedatum
12 juli 2013
Zaaknummer
11-3317 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 WIAArt. 54 WIAArt. 64 WIAArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstverband

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin is vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij bij aanvang van zijn dienstverband op 22 juli 2008 al volledig arbeidsongeschikt was. Het UWV baseerde dit op onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.

De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat er sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Appellant betwistte dit niet, maar verwees naar onderzoeken van de gemeente die tot andere bevindingen zouden leiden.

In hoger beroep stelt appellant dat het UWV het standpunt van de gemeente had moeten overnemen, maar de Centrale Raad van Beroep wijst dit af. Op grond van artikel 64 WIA Pro is het UWV bevoegd om vast te stellen of recht op uitkering ontstaat en moet het uitsluitingsgronden toepassen zoals genoemd in artikel 47 onder Pro c WIA.

De Raad concludeert dat appellant onder deze uitsluitingsgrond valt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstverband.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/3317 WIA
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 mei 2011, 10/6811 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2013. Namens appellant is
mr. J.H. Kruseman (advocaat) verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 augustus 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 16 augustus 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat na onderzoek van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige is gebleken dat appellant bij aanvang van zijn dienstverband op 22 juli 2008 al volledig arbeidsongeschikt was.
1.2. Bij besluit van 10 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2010 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden van dit geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische en arbeidskundige onderbouwing door het Uwv van het in het bestreden besluit ingenomen standpunt. Daarbij heeft de rechtbank aangetekend dat ook door appellant niet wordt betwist dat hij vanaf aanvang van zijn werkzaamheden al volledig ongeschikt was voor het werk als productiemedewerker/inpakker bij [naam bedrijf]. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zich, met betrekking tot de vraag of hij in het kader van de Wet Werk en Bijstand al dan niet terecht te werk gesteld is, tot de gemeente zal moeten wenden.
3.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij met het Uwv van mening is dat hij bij aanvang van de werkzaamheden volledig arbeidsongeschikt was. Voorts stelt appellant dat gelet op de door de gemeente, voor aanvang van de werkzaamheden, verrichte onderzoeken en de daaruit voortgekomen bevindingen niet meer door het Uwv vastgehouden kan worden aan het standpunt dat appellant kennelijk volledig arbeidsongeschikt was. Tussen de artsen van de gemeente en het Uwv bestaan daar, zo blijkt uit het dossier, verschillende opvattingen over.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Gelet op hetgeen door appellant in beroep en hoger beroep is aangevoerd, en op de zitting is bevestigd, is tussen partijen niet in geschil dat appellant bij aanvang van zijn dienstverband op 22 juli 2008 volledig arbeidsongeschikt was.
4.2.
Het standpunt van appellant dat het Uwv, vanwege het naar zijn mening bij aanvang dienstverband ontbreken van kennelijke arbeidsongeschiktheid, gehouden was het standpunt van de gemeente over te nemen wordt niet gevolgd.
4.3.
Op grond van artikel 64 van Pro de Wet WIA stelt het Uwv vast of recht op uitkering op grond van artikel 47 of Pro artikel 54 ontstaat Pro. Uit de artikelen 47 en 54 vloeit voort dat geen recht op uitkering ontstaat indien een uitsluitingsgrond van toepassing is. Gelet op de bij aanvang van de verzekering bestaande arbeidsongeschiktheid valt appellant onder de uitsluitingsgrond van artikel 47 onder Pro c. Mitsdien was het Uwv gehouden deze bepaling toe te passen, ongeacht besluiten over appellants gezondheidssituatie en daaruit voortvloeiende rechten en plichten door andere bestuursorganen.
4.4.
Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.J. Govaers en
J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) D.E.P.M. Bary

IJ