ECLI:NL:CRVB:2013:990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering pgb wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo. Het college trok het pgb over de periode 1 januari 2008 tot 30 juni 2009 in en vorderde het ten onrechte ontvangen bedrag terug, omdat appellant niet had gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met een huisgenoot die in staat was de huishoudelijke taken uit te voeren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen gezamenlijke huishouding bestond en dat het college op de hoogte was van de situatie. De Raad stelde vast dat appellant en de betreffende persoon sinds 17 maart 2005 op hetzelfde adres stonden ingeschreven en dat appellant zelf verklaarde een gezamenlijke huishouding te voeren.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat hij samenwoonde, terwijl dit van invloed was op het recht op het pgb. Het college was daarom bevoegd het pgb in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van het pgb bevestigd.