Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene vroeg op 7 december 2011 een werkleeraanbod aan op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en gaf aan een kamer te huren bij een vriendin. Na onderzoek weigerde het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bijstand toe te kennen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), omdat zij meenden dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met haar vriendin.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, omdat niet was voldaan aan het vereiste van wederzijdse zorg voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat wel sprake was van wederzijdse zorg.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het eerste criterium, het delen van het hoofdverblijf, was voldaan, maar dat het tweede criterium, wederzijdse zorg, ontbrak. Betrokkene betaalde een reële kamerhuur en er was slechts sprake van het delen van gemeenschappelijke ruimten en incidentele gezamenlijke activiteiten, wat onvoldoende is voor het zorgcriterium. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en de uitspraak dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.