ECLI:NL:CRVB:2013:BY8030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-311 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij gezinsbijstand

Appellante en haar partner ontvingen gezinsbijstand op grond van de WWB. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat de partner inkomsten had uit werkzaamheden bij een pizza/shoarmazaak, die niet volledig waren opgegeven. Hierdoor werd de inlichtingenverplichting geschonden.

Het college trok de bijstand over de betreffende periodes in en vorderde de kosten terug, waarbij appellante hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging.

Appellante voerde aan dat zij vanwege ziekte weinig contact had met haar partner en niet op de hoogte was van diens werkzaamheden. De Raad oordeelde echter dat bij gezinsbijstand beide partners als een eenheid worden gezien en dat onbekendheid met elkaars activiteiten geen beroep kan rechtvaardigen.

De verklaring van appellante aan de sociale recherche bevestigde bovendien dat zij wist van de werkzaamheden en inkomsten van haar partner. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

12/311 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 december 2011, 11/464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak 8 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Voor appellante is mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Mulder.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft in de periode van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2008, samen met haar toenmalige partner E. [S.] ([S.]), bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.
1.2. Uit een onderzoek van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) is gebleken dat [S.] geen volledige opgave heeft gedaan van zijn inkomsten uit werkzaamheden bij een of meer vestigingen van [naam vestiging], een pizza/shoarmazaak in [vestigingsplaats]. In het rapport van de sociale recherche van 25 juni 2009 is geconcludeerd dat [S.] en appellante de ingevolge artikel 17 van Pro de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Omdat geen duidelijkheid is verkregen over de werkelijke inkomsten van [S.] kan het recht op bijstand over de periode van
9 december 2006 tot en met 30 september 2007 en over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 mei 2008 niet worden vastgesteld. Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college aan appellante meegedeeld dat de bijstand over deze periodes wordt ingetrokken, dat de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.293,08 bruto van haar worden teruggevorderd en dat zij, naast [S.], hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling. Bij besluit van 11 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij aangevoerd het onrechtvaardig te vinden dat de bijstand niet alleen van [S.], maar ook van haar wordt teruggevorderd. Zij stelt dat [S.] en zij in de van belang zijnde periodes weliswaar in hetzelfde huis woonden maar verder nagenoeg geen contact met elkaar hadden. Het enige dat hen verbond is het feit dat zij samen twee kinderen hebben. Omdat appellante vanwege medische problemen niet in staat is om alleen voor haar kinderen te zorgen, woonde [S.] in hetzelfde huis om de kinderen op te kunnen vangen wanneer zij ziek was. Appellante verbleef vanwege haar ziekte ook vaak bij haar moeder. Hierdoor was zij niet op de hoogte van de door [S.] verrichte werkzaamheden. Hieruit volgt dat van de zijde van appellante nooit sprake is geweest van schending van de inlichtingenverplichting.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid worden gezien wat betreft hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB en dat reeds daarom geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met vrucht kan beroepen op onbekendheid met de activiteiten van de ander. De Raad heeft dit vaker overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 24 augustus 2010, LJN BO4127. Bovendien wordt de stelling dat appellante er niet mee bekend was dat [S.] in de betreffende periodes werkzaamheden heeft verricht en daarvoor inkomsten heeft ontvangen niet ondersteund door de inhoud van de door haar op
2 februari 2009 tegenover rechercheurs van de sociale recherche afgelegde verklaring. Uit deze verklaring blijkt dat zij wist dat [S.] bij [naam vestiging] werkzaam was en daarvoor werd betaald. Voorts heeft zij de maandelijkse inkomensverklaringen steeds mede ondertekend.
4.2. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2013.
(getekend) J.F. Bandringa
(de griffier is buiten staat te tekenen)
QH