ECLI:NL:CRVB:2013:BY8053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering met oplegging boete wegens niet-nakoming inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf oktober 2007 een WW-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering met ingang van februari 2008 na onderzoek waaruit bleek dat appellant meer uren had gewerkt dan opgegeven op werkbriefjes, waaronder werkzaamheden via een uitzendbureau en bij een schoonmaakbedrijf.
Het UWV vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant betwistte de juistheid van de werkbriefjes en de berekening van het teruggevorderde bedrag, en stelde dat anderen met zijn padnummer hadden gewerkt.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht was uitgegaan van de padregistratie en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden. De Raad onderschreef dit oordeel en vond dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om zijn stellingen te onderbouwen. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering of boete. De opgelegde boete werd als evenredig beschouwd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en de oplegging van een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.