ECLI:NL:CRVB:2013:BY8461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij huishoudelijke werkzaamheden
Appellanten ontvingen sinds oktober 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding en onderzoek van de sociale recherche stelde het college vast dat appellante vanaf februari 2009 huishoudelijke werkzaamheden verrichtte en daarvoor inkomsten ontving, zonder dit te melden aan het college. Het college trok daarom de bijstand in met terugwerkende kracht en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de verklaring van appellante gebrekkig was vanwege psychische klachten en taalproblemen, en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Raad oordeelde echter dat appellante voldoende duidelijk en gedetailleerd had verklaard over haar werkzaamheden, ondersteund door verklaringen van derden en waarnemingen, ondanks enkele onzorgvuldigheden in de rapporten.
De Raad stelde vast dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden door het niet melden van de werkzaamheden en inkomsten. Omdat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht op bijstand hadden gedurende de periode, kon het college de bijstand terecht intrekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.