ECLI:NL:CRVB:2013:BY8616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziekengeld op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel in september 2007 uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij vanaf 15 september 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen WIA-uitkering kreeg. In februari 2011 meldde appellant zich ziek met psychische klachten, waarna een verzekeringsarts oordeelde dat hij geschikt was voor eerder geduide functies. Het UWV weigerde daarop ziekengeld.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn psychische klachten waren toegenomen, ondersteund door verklaringen van zijn behandelend psycholoog. Na herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts bleef het UWV bij het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn lichamelijke en psychische klachten waren verslechterd. De Raad stelde vast dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de bezwaarverzekeringsarts de nieuwe informatie had betrokken. Er was geen overtuigend bewijs van verslechtering van de beperkingen. De Raad bevestigde het besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.