ECLI:NL:CRVB:2013:BY9065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder beroep op vertrouwensbeginsel
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek van de sociale recherche werd vastgesteld dat zij van 1 juli 2009 tot 1 februari 2010 een gezamenlijke huishouding voerden. Het college van burgemeester en wethouders van Maassluis trok de bijstand met ingang van 1 juli 2009 in en vorderde de kosten van bijstand terug, deels gematigd.
Appellanten betwistten niet de gezamenlijke huishouding, maar voerden aan dat terugvordering beperkt moest worden tot de periode vóór 27 augustus 2009, omdat het college vanaf die datum op de hoogte was. Zij beroepen zich op het vertrouwensbeginsel en stelden dat er dringende redenen waren om terugvordering over de latere periode achterwege te laten.
De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is zonder uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen van het bevoegde orgaan. Zulke toezeggingen ontbraken. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. De matiging van 50% over een deel van de periode werd als coulance beschouwd. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd zonder toepassing van het vertrouwensbeginsel of het erkennen van dringende redenen.