ECLI:NL:CRVB:2013:BY9147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit terugvordering WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing inkomsten uit arbeid
Appellante ontving sinds 1995 een WAO-uitkering, die in 2010 werd beëindigd vanwege een vermeende daling van haar arbeidsongeschiktheid onder 15%. Het UWV stelde dat appellante vanaf 2002 paardrijlessen gaf, wat inkomsten uit arbeid opleverde, en herzag daarop haar uitkering. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet melden van deze werkzaamheden.
Appellante betwistte dat zij inkomsten uit arbeid genoot, omdat de vergoedingen ten goede kwamen aan haar vader voor het gebruik van de rijbak en paarden. Zij stelde niet gehouden te zijn het UWV hierover te informeren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de paardrijlessen als arbeid in het economisch verkeer gelden en dat het ontbreken van betrouwbare gegevens voor haar rekening kwam.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig was. De vaststelling van inkomsten was gebaseerd op verklaringen van een tipgever (ex-echtgenoot) en drie anonieme getuigen die niet ondertekend of bevestigd waren. Appellante overlegde correspondentie van twee getuigen die de verklaringen betwistten. De Raad concludeerde dat het besluit niet deugdelijk gemotiveerd was en droeg het UWV op dit gebrek te herstellen volgens artikel 21, lid 6 van de Beroepswet.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot terugvordering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende deugdelijke motivering.