ECLI:NL:CRVB:2013:BY9156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vermogensvermindering
Appellante heeft in januari 2008 een bedrag van €70.000 van haar bankrekening opgenomen en in juli 2009 een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat appellante niet aannemelijk kon maken dat zij niet meer over een bedrag van €34.106,67 beschikte. Een tweede aanvraag in februari 2010 werd eveneens afgewezen op dezelfde gronden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij tijdens een vakantie in Indonesië in 2008 contant geld aan haar moeder en zus had gegeven, ondersteund door verklaringen en kwitanties. Zij stelde dat zij bij de eerste aanvraag een onjuiste verklaring had gegeven vanwege een verwarde toestand door een echtscheiding.
De Raad oordeelde echter dat appellante gehouden is aan haar oorspronkelijke verklaring dat zij slechts €8.000 naar Indonesië had meegenomen. De verklaringen van moeder en zus werden niet geloofwaardig geacht vanwege inconsistenties en het feit dat deze achteraf waren opgesteld toen appellante wist dat zij verantwoording moest afleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.