ECLI:NL:CRVB:2013:BY9282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere bijstand voor advocaat- en legeskosten bij verlenging verblijfsvergunning
Appellant, woonachtig in een begeleid wonen project en bijstandontvanger op basis van de inrichtingsnorm, verzocht bijzondere bijstand voor advocaatkosten en legeskosten in verband met de verlenging van zijn verblijfsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van Schagen wees deze verzoeken af, waarbij werd verwezen naar de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) als voorliggende voorziening die vergoeding van kosten voor verlenging van verblijfsvergunningen uitsluit.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college een eigen belangenafweging had moeten maken en dat hij niet in staat was geweest te reserveren voor de legeskosten vanwege de beperkte inrichtingsnorm. De Raad overwoog dat de Wrb in beginsel toereikend en passend is als voorliggende voorziening en dat de aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning onder artikel 8 van Pro het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria valt, waardoor vergoeding van advocaatkosten niet noodzakelijk is.
Ten aanzien van de legeskosten oordeelde de Raad dat appellant voldoende tijd had om te reserveren binnen zijn bijstandsnorm, ondanks zijn schuldenlast. Het ontbreken van reserveringsruimte door schulden wordt niet als bijzondere omstandigheid beschouwd die bijzondere bijstand rechtvaardigt. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor advocaat- en legeskosten bij verlenging van de verblijfsvergunning.