ECLI:NL:CRVB:2013:BY9337

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3753 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WWBArt. 32 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huuropbrengsten uit verhuurde woning worden gekort op bijstand zonder verrekening hypotheeklasten

Appellante bezit twee koopwoningen, waarvan zij er één verhuurt voor €950 per maand. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende haar bijstand toe, waarbij de huurinkomsten op de bijstand werden gekort. Appellante stelde dat zij de huuropbrengsten nodig had om de hypotheeklasten te betalen en dat zij daardoor niet redelijkerwijs over deze inkomsten kon beschikken.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de huuropbrengsten op een bankrekening worden gestort waar appellante vrij over kan beschikken, zodat zij deze middelen redelijkerwijs kan aanwenden voor haar levensonderhoud.

Verder wees de Raad het beroep van appellante af om de hypotheeklasten te verrekenen met de huurinkomsten, omdat de WWB een ander inkomensbegrip hanteert dan de Belastingdienst en geen ruimte biedt voor verrekening van verwervingskosten. De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat dergelijke verrekening niet is toegestaan.

Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Huurinkomsten worden gekort op bijstand zonder verrekening van hypotheeklasten; hoger beroep afgewezen.

Uitspraak

11/3753 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2011, 11/2152 en 11/2659 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 22 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Voor appellante is verschenen mr. Schreinemacher. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante bezit twee koopwoningen waarop hypotheken zijn gevestigd. Appellante woont in één van de woningen en de andere woning wordt verhuurd voor € 950,-- per maand.
1.2. Bij besluit van 31 maart 2011 heeft het college de aanvraag van appellante om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingewilligd en appellante met ingang van 11 januari 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft daarbij meegedeeld dat met ingang van 11 januari 2011 maandelijks de inkomsten uit verhuur van haar woning op de bijstand worden gekort.
1.3. Bij besluit van 18 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante voert - samengevat - aan dat zij de huurinkomsten nodig heeft om aan haar hypothecaire verplichtingen te kunnen voldoen, waardoor zij over die inkomsten niet redelijkerwijs kan beschikken. Appellante is verhuisd naar een andere koopwoning en de achtergelaten woning kan zij alleen met verlies verkopen. Daarbij houdt appellante, na voldoening van de hypotheekverplichtingen, te weinig geld over om van te leven. Het is dan ook niet redelijk om de huuropbrengsten als middelen te beschouwen, die aangewend kunnen worden om te voorzien in de kosten van het bestaan. Appellante voert voorts aan dat het inkomensbegrip moet worden gebruikt dat de Belastingdienst in sommige gevallen hanteert, waarbij de kosten worden afgetrokken van de inkomsten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 32, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen, voor zover deze betreffen inkomsten uit vermogen en inkomsten uit verhuur en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
4.2. Appellante kan redelijkerwijs beschikken - in de zin van artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB - over de maandelijkse huuropbrengsten van € 950,--. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om het middel feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Vaststaat dat de huuropbrengsten op de bankrekening van appellante worden gestort, over welke rekening zij vrijelijk kan beschikken. Het feit dat appellante contractueel verplicht is om hypotheeklasten te betalen, betekent niet dat zij beperkt is in de beschikkingsmacht over deze gelden. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 19 juni 2012, LJN BW9170.
4.3. De vergelijking die appellante trekt met het fiscale regime faalt, reeds omdat de WWB een ander inkomensbegrip hanteert dan de Belastingdienst. Artikel 32, eerste lid, van de WWB biedt geen grondslag voor de door appellante voorgestane verrekening van de huurinkomsten met de hypotheeklasten van de verhuurde woning. De Raad wijst in dit verband nog op zijn vaste rechtspraak (CRvB 26 oktober 2010, LJN BO2761, en CRvB 1 september 2009, LJN BJ7733) dat er bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen in het kader van de WWB geen ruimte is voor verrekening van verwervingskosten.
4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) R. Scheffer