ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0039

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1102 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 9 ZWArt. 10 ZWArt. 12 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na medisch onderzoek en bezwaar

Appellante, werkzaam als tomatenplukster, meldde zich ziek op 11 december 2009 en ontving een Ziektewetuitkering. Na medisch onderzoek door een bedrijfsarts en een bezwaarverzekeringsarts oordeelde het UWV dat zij geschikt was voor haar werk en beëindigde de uitkering per 22 maart 2010.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zij vanwege haar lichamelijke en geestelijke klachten niet in staat was haar werk te hervatten. Zij stelde ook dat het niet aan de verzekeringsarts was om de arbeidsbelasting te bepalen, maar aan een arbeidsdeskundige.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV voldoende gegevens had om de beperkingen te beoordelen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was, en dat de bezwaarverzekeringsarts een goed beeld had van de aard en zwaarte van het werk. De Raad bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 22 maart 2010.

Uitspraak

11/1102 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 januari 2011, 10/3771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 30 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2012. Namens appellante is verschenen mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als tomatenplukster, heeft zich op 11 december 2009 vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens diverse klachten.
Appellante is in dat verband op 17 maart 2010 gezien op het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft appellante daarbij, na eigen onderzoek, weer geschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het Uwv het recht van appellante op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 22 maart 2010.
1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 28 april 2010 - ongegrond verklaard.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv beschikte over voldoende gegevens om tot een afgewogen beoordeling van de voor appellante geldende beperkingen te komen en dat er geen aanleiding was om het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat nader arbeidskundig onderzoek naar de belasting in het werk van tomatenplukster aangewezen was.
3. Appellante kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. In hoger beroep heeft zij gesteld dat gezien de ernst en combinatie van haar lichamelijke en geestelijke gezondheidsklachten sprake was van dusdanige objectief medische beperkingen, dat zij op 22 maart 2010 niet in staat was om in haar eigen werk te hervatten. Voorts heeft zij gesteld dat het niet tot de taak van een verzekeringsarts behoort om de aard van de belasting in een functie te bepalen; dit behoort tot de deskundigheid van een arbeidsdeskundige.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van de verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.
4.2. Er bestaat geen grond het medisch onderzoek als onzorgvuldig of onvolledig aan te merken. Er is geen aanleiding de daaraan verbonden conclusies onjuist te achten. Appellante is zowel door de bedrijfsarts als door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht en beiden hebben hun bevindingen inzichtelijk gerapporteerd en hun conclusies, waarbij de beschikbare medische gegevens zijn meegewogen, voldoende draagkrachtig onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de betekenis die moet worden toegekend aan de verklaring van GZ-psycholoog A. Kurt van 15 juni 2010 wordt onderschreven. De informatie van de psycholoog dateert van na de datum in geding, zodat aan die verklaring niet de waarde toekomt die appellante daaraan gehecht wenst te zien.
5.1. De bedrijfsarts heeft appellante beperkt geacht ten aanzien van stress en deadlines en het zwaar (meer dan 15 kg) tillen, duwen en trekken.
De bezwaarverzekeringsarts heeft, teneinde te kunnen beoordelen of appellante met haar beperkingen in staat was het werk van tomatenplukster te verrichten, telefonisch overleg gevoerd met de bedrijfsleider van haar voormalige werkgever. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 28 april 2010 dienaangaande genoteerd dat appellante in haar werkzaamheden mede beperkt werd door haar lengte van 1.60m; ze werd ontzien. Appellante werkte soms zittend, soms staand op een hooglaag-kar en moest regelmatig tilwerk verrichten. Op grond van deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellante geschikt is voor haar arbeid.
5.2. Appellante heeft de uitgangspunten als onder 5.1 beschreven niet weerlegd met stukken waaruit blijkt dat de door de bezwaarverzekeringsarts verkregen informatie onjuist was. Gezien het behandelde ter zitting is voorts niet bestreden dat het tilwerk niet meer dan 7-8 kg betrof. Het dient er dan ook voor te worden gehouden dat de bezwaarverzekeringsarts een goed beeld had van de belasting van appellantes arbeid en dat er geen aanleiding bestond om door een arbeidsdeskundige een nader onderzoek te doen verrichten naar die belasting. De omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts als maatstaf ‘aangepast’ tomatenplukwerk heeft genomen, brengt niet met zich dat niet voldoende de aard en zwaarte van de werkzaamheden bepaald is.
6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 5.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 22 maart 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2013.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) Z. Karekezi
JL