ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijzondere bijstand na bezwaar en hoger beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep een hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen over de terugvordering van bijzondere bijstand. Na een tussenuitspraak heeft het college een nieuw besluit genomen waarin het geconstateerde gebrek omtrent de terugvordering werd hersteld, maar appellante bleef bezwaren houden.
De Raad overwoog dat het college terecht het recht op bijzondere bijstand had ingetrokken en het bedrag van €418,25 teruggevorderd, omdat appellante niet in omstandigheden verkeerde die haar onvermogen tot het voorzien in noodzakelijke kosten van bestaan aannemelijk maakten. De zienswijze van appellante over haar vermogenspositie bracht geen nieuwe feiten die tot een andere beoordeling konden leiden.
De Raad vernietigde het oorspronkelijke besluit voor zover het de terugvordering betrof, verklaarde het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2009 gegrond en tegen het besluit van 8 november 2012 ongegrond. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige toetsing van de terugvordering van bijzondere bijstand en benadrukt de mogelijkheid voor bestuursorganen om geconstateerde gebreken te herstellen binnen de beroepsprocedure.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijzondere bijstand wordt gegrond verklaard, het nieuwe besluit ongegrond, en het college wordt veroordeeld in proceskosten.