ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op WW-uitkering en dagloon na bezwaar tegen weigering
Appellant had aanvankelijk geen recht op een WW-uitkering omdat hij onrechtmatig in Nederland verbleef. Na bezwaar en meerdere gewijzigde besluiten van het Uwv werd vastgesteld dat appellant vanaf 3 augustus 2009 recht had op een WW-uitkering, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 32 per week en een dagloon van €85,55.
Appellant betwistte het vastgestelde dagloon en voerde aan dat dit te laag was gezien zijn arbeidsverleden en hogere inkomsten. De Raad oordeelde dat het lagere dagloon gerechtvaardigd was door het lagere aantal arbeidsuren, ondanks dat het eerdere dagloon hoger was vastgesteld.
De Raad vernietigde de eerdere besluiten die het recht op uitkering ontzegden en verklaarde het beroep tegen het laatste besluit ongegrond. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt eerdere besluiten die het recht op WW-uitkering ontzegden en bevestigt het recht op uitkering met een dagloon van €85,55, waarbij het beroep tegen het laatste besluit ongegrond wordt verklaard.