ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om terug te komen van WW-uitkeringsbesluit na eerdere afwijzing
Appellant was sinds 1 april 2001 werkzaam bij de gemeente Breda en kreeg ontslag per 1 maart 2007. Hij diende op 23 november 2009 een aanvraag in voor een WW-uitkering met terugwerkende kracht, die door het UWV werd afgewezen omdat er geen recht op uitkering bestond per die datum.
Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat appellant foutieve informatie had ontvangen van het CWI, maar dat dit geen bijzonder geval vormde dat rechtvaardigde dat de aanvraag eerder werd ingediend.
In hoger beroep stelde appellant dat hij alles had gedaan om zijn recht op WW-uitkering te effectueren en dat het UWV onjuist had gehandeld. De Raad oordeelde dat de aanvraag van 2009 moest worden gezien als een verzoek om terug te komen op het besluit van 12 februari 2008, dat onherroepelijk was geworden. Omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd, werd het verzoek afgewezen.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar wees het verzoek om terug te komen af. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit tot afwijzing van de WW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.