ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen een ouderdomspensioen voor ongehuwde pensioengerechtigden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen naar gehuwdenpensioen op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellanten verzochten vervolgens om herziening naar ongehuwdenpensioen, stellende dat zij geen gezamenlijke huishouding voeren.
De Svb wees de aanvragen af omdat niet eerder dan februari 2010 een wijziging in de woon- en leefsituatie was vastgesteld. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten tegen deze besluiten ongegrond. Appellanten stelden in hoger beroep dat de Svb reeds in november 2009 aanleiding had moeten zien tot herziening en betwistten de toepassing van artikel 4:6 Awb Pro.
De Raad oordeelt dat de verzoeken uitsluitend betrekking hebben op de toekomst en appellanten de bewijslast dragen om aan te tonen dat zij voldoen aan de voorwaarden voor een ongehuwdenpensioen. Een onderbouwde stelling dat de vermeende partner op een ander adres woont is in principe voldoende. Appellanten hebben deze stelling in november 2009 niet voldoende onderbouwd, waardoor de Svb terecht de aanvragen van oktober 2009 heeft afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanvragen tot herziening van het AOW-pensioen terecht zijn afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het ontbreken van een gezamenlijke huishouding.