ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1536

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3540 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AfstemmingsverordeningArt. 8 AfstemmingsverordeningWet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel bij voortijdige beëindiging re-integratietraject door bijstandsgerechtigde

Appellant ontvangt sinds 1997 bijstand en volgde meerdere re-integratietrajecten. Begin maart 2010 is een nieuw trajectplan overeengekomen gericht op werk in de autotechniek, uitgevoerd door Kasama Consultancy. Op 23 april 2010 ontstond een incident op de werkvloer waarbij appellant de werkplek voortijdig verliet na onenigheid met de trajectbegeleider. Kasama beëindigde daarop het traject.

Het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder stelde een maatregel van 50% korting op de bijstand in voor een maand, ingaand 1 mei 2010, omdat het voortijdig beëindigen van het traject aan appellant werd toegerekend. Deze maatregel werd gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat het college ten onrechte hem in trede 5 van de activeringsladder plaatste en dat de maatregel te zwaar was. De Raad overwoog dat het wassen van auto’s een reguliere taak was en appellant geen zwaarwegende reden had om het verzoek van de trajectbegeleider te weigeren. Zijn obscene uitingen en het verlaten van de werkplek maakten dat het beëindigen van het traject volledig aan hem kon worden toegerekend.

De indeling in trede 5 was passend gezien zijn beroepswens en opleidingsniveau. Ook de persoonlijke omstandigheden van appellant, zoals het hebben van kleine kinderen, gaven geen aanleiding tot een lichtere maatregel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De maatregel van 50% korting op de bijstand wegens voortijdige beëindiging van het re-integratietraject wordt bevestigd.

Uitspraak

11/3540 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 mei 2011, 10/1953 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder (college)
Datum uitspraak 19 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Uijt de boogaardt, advocaat te Emmeloord, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Uijt de boogaardt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Maandag. Als tolk is verschenen F. Saïd.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt sinds 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. In het kader van zijn re-integratie heeft hij in 2006, 2008 en 2009 trajectplannen gevolgd.
1.2. Appellant is begin maart 2010 met het college een nieuw trajectplan overeengekomen, gericht op uitstroom naar werk in de (auto)techniek. Appellant ambieert betaald werk in die sector en is op dat terrein ook hobbymatig actief. Re-integratiebedrijf Kasama Consultancy (Kasama) voert het trajectplan uit. In het plan van aanpak van Kasama is onder meer vermeld dat naast de opleiding voor assistent autotechnicus gestart wordt met een intensief Nederlands traject op de werkvloer in het leer/werkbedrijf.
1.3. Op 23 april 2010 heeft op de werkvloer een incident plaatsgevonden, waarbij onenigheid tussen appellant en trajectbegeleider [naam trajectbegeleider] is ontstaan. Appellant heeft vervolgens de werkplek vroegtijdig verlaten. Kasama heeft daarna het traject beëindigd.
1.4. Vervolgens heeft het college onderzoek verricht. Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft het college bij besluit van 29 april 2010 op de bijstand van appellant en zijn echtgenote met ingang van 1 mei 2010 een maatregel toegepast van 50% gedurende een maand. Deze maatregel is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2010 (bestreden besluit). Het college heeft zich daartoe op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat het voortijdig beëindigen van het traject aan appellant te wijten is.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Uit de verklaring van [naam trajectbegeleider] blijkt dat de gebeurtenissen op 23 april 2010 ertoe hebben geleid dat het traject van appellant is beëindigd. Appellant heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat dit anders zou zijn. Voorts heeft het college zich, anders dan appellant aanvoert, op goede gronden op het standpunt gesteld, dat de beëindiging van het traject in overwegende mate aan appellant te wijten is. In aanmerking genomen dat het wassen van auto’s tot de regelmatig op de werkplek voorkomende werkzaamheden behoorde, mocht van appellant verlangd worden dat hij rond 14.00 uur voldeed aan het verzoek van [naam trajectbegeleider] om zijn bedrijfsauto te wassen. Dat appellant vlak daarvoor had verzocht om eerder het werk te mogen verlaten, is onvoldoende rechtvaardiging om geen gehoor te geven aan dit verzoek, nu appellant geen zwaarwegende reden had het werk eerder te verlaten en de arbeidstijd pas om 15.30 uur eindigde. Over de precieze reactie van appellant op het verzoek van [naam trajectbegeleider] bestaat verschil van mening, maar vast staat, zoals appellant ter zitting heeft erkend, dat hij obscene woorden en gebaren gebruikte en dat hij vervolgens de werkplek verliet. Onder deze omstandigheden moet de daaruit voortvloeiende beëindiging van het traject appellant volledig worden toegerekend.
4.2. Het standpunt van appellant dat het college bij het bepalen van de zwaarte van de maatregel ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij moet worden ingedeeld in trede 5 van de activeringsladder als bedoeld in het re-integratiebeleid, wordt niet gevolgd. Trede 5 ziet, volgens de omschrijving, op kwalificerend onderwijs bij personen waarvan de beroepswens duidelijk is, maar die niet voldoende opleiding hebben genoten om naar dit beroep uit te stromen. Het college heeft appellant, gelet op zijn beroepswens, zijn positie op de arbeidsmarkt en het door hem gevolgde traject, redelijkerwijs in trede 5 kunnen indelen.
4.3. Uitgaande van 4.1 en 4.2 was het college op grond van het bepaalde in de artikelen 7, vierde lid onder a, en 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de van toepassing zijnde Afstemmingsverordening gehouden op de bijstand in beginsel een maatregel van 50% gedurende een maand toe te passen. Wat appellant heeft aangevoerd, onder meer dat hij een gezin met kleine kinderen heeft, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat het college had moeten afzien van een maatregel of een minder zware maatregel had moeten opleggen.
4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2013.
(getekend) J.C.F. Talman
(getekend) A.C. Oomkens
HD