ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking zorgtraject
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college legde een maatregel op waarbij de bijstand van appellante met 100% werd verlaagd voor de duur van één maand, omdat zij niet voldoende zou hebben meegewerkt aan een door het college aangeboden zorgtraject gericht op arbeidsinschakeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat het zorgtraject een voorziening was gericht op verbetering van de gezondheidstoestand en dat appellante door niet mee te werken geen gebruik had gemaakt van de voorziening. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel op afspraken was verschenen en dat het niet slagen van het traject niet aan haar te wijten was vanwege haar psychische toestand.
De Raad oordeelt dat op het moment van het besluit sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid van appellante en dat het zorgtraject uitsluitend gericht was op medische behandeling van psychische klachten, niet op arbeidsinschakeling. Hierdoor kan de gedraging niet worden gekwalificeerd als het niet gebruiken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De maatregel berust daarom op een ondeugdelijke grondslag en wordt vernietigd.
De Raad veroordeelt het college in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Het college wordt tevens veroordeeld het besluit van 25 september 2009 te herroepen en de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.