ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1557

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-2314 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet-naleving inlichtingenverplichting bij werkzaamheden in pizzeria

Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 17 oktober 2008, maar meldde zich pas op 22 oktober 2009. Tijdens een onderzoek bij de pizzeria waar appellant woonde en werkte, werd vastgesteld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Ondanks zijn verklaring dat hij slechts vrijwillig hielp zonder loon, concludeerde de Raad dat de aanwezigheid tijdens reguliere uren op een werkplek impliceert dat er arbeid werd verricht.

Omdat appellant deze werkzaamheden niet had gemeld, schond hij de inlichtingenverplichting. Hierdoor kon het college niet vaststellen of appellant recht had op bijstand en wees het de aanvraag af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.

Appellant stelde dat hij vanaf oktober 2008 van geleend geld leefde, maar dit werd niet als bijzondere omstandigheid gezien om bijstand over die periode toe te kennen. Het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 februari 2013.

Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het niet melden van werkzaamheden, waardoor niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

11/2314 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 maart 2011, 10/896 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)
Datum uitspraak: 19 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Roode en D.F. de Fretes.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft zich op 22 oktober 2009 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 5 november 2009 heeft hij de aanvraag ingediend met als beoogde ingangsdatum 17 oktober 2008. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij bij [D.], de eigenaar van [pizzeria] (pizzeria), waar appellant tot en met 23 maart 2009 heeft gewerkt, een kamer huurt. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de afdeling Werk Inkomen en Zorg van de gemeente Lelystad (WIZ) een onderzoek ingesteld. In dat kader is op 6 januari 2010 een waarneming verricht bij de pizzeria en heeft op 8 januari 2010 een gesprek met appellant plaatsgevonden op het stadhuis. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 18 januari 2010. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 19 januari 2010, voor zover hier van belang, de aanvraag af te wijzen.
1.2. Bij besluit van 21 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2010 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Omdat appellant de werkzaamheden en de omvang ervan niet heeft gemeld, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ter beoordeling ligt primair voor de periode vanaf de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen (22 oktober 2009) tot en met de datum van het besluit op de aanvraag (19 januari 2010).
4.2. Op 6 januari 2010 om 16.40 uur is waargenomen dat appellant in bedrijfskleding aanwezig was in de pizzeria. De betrokken rapporteur van WIZ werd bij zijn bestelling door appellant geholpen en heeft waargenomen dat appellant betalingen regelde en twee andere jongens aanstuurde. Aan de muur was een agenda van de week van 27 december 2009 tot en met 2 januari 2010 zichtbaar, waarop appellant op zes dagen stond ingeroosterd om te werken. Omstreeks 20.00 uur is waargenomen dat appellant nog steeds werkzaamheden in de pizzeria verrichtte. De rapporteur heeft vervolgens contact gehad met de wijkagent, die te kennen heeft gegeven dat appellant veel werkt bij de pizzeria en er bijna altijd is. Tijdens het gesprek op 8 januari 2010 heeft appellant, die sinds mei 2009 bij [D.] woonruimte huurde, onder meer verklaard dat hij bijna dagelijks in de pizzeria komt en daar dan eet, dat hij wel eens helpt met het vouwen van een paar pizzadozen, dat hij dan 10 of 15 dozen vouwt, dat hij daar geen geld of loon in natura voor krijgt, dat hij wel eens helpt omdat hij door [D.] een dak boven zijn hoofd heeft, dat als hij in de pizzeria is, hij er 1 tot 1,5 uur is, dat hij dan op een stoel zit en met [D.] praat, dat hij niet werkt en geen geld krijgt, en dat [D.] medio maart heeft meegedeeld het arbeidscontract niet te verlengen.
4.3. Op basis van de waarnemingen van de rapporteur en de eigen verklaringen van appellant is aannemelijk geworden dat appellant in de pizzeria op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals door hem gesteld, wegens ziekte van een werknemer op 6 en 7 januari 2010 slechts op vrijwillige basis eenmalig is ingevallen en dat hij niet bekend was met het werkrooster. De door appellant genoemde verklaringen van [D.] en diens zoon, die zouden kunnen dienen ter onderbouwing van het standpunt van appellant, bevinden zich niet in het dossier. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt wel dat [D.] en zijn zoon daar aanwezig zijn geweest, maar niet dat zij toen een verklaring hebben afgelegd. De verklaring van appellant dat hij wel regelmatig in de pizzeria aanwezig was, maar daar geen arbeid verrichtte, doet aan het vorenstaande niet af. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 oktober 2010, LJN BO1327) vooronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek dat de betreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, zodat er geen reden is om niet van de genoemde vooronderstelling uit te gaan. Nu appellant het college niet van deze werkzaamheden op de hoogte heeft gesteld, heeft hij niet voldaan aan de inlichtingenverplichting.
4.4. Aangezien als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant recht heeft op bijstand, heeft het college terecht geweigerd appellant met ingang van 22 oktober 2009 bijstand toe te kennen.
4.5. Appellant heeft bijstand aangevraagd met als beoogde ingangsdatum 17 oktober 2008. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 21 december 2010, LJN BO8241) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De - overigens niet onderbouwde - stelling van appellant dat hij vanaf 17 oktober 2008 heeft geleefd van geleend geld vormt geen bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2013.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) P.J.M. Crombach