ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1800
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering voorschot WW-uitkering bij zelfstandige na onjuiste berekening inkomsten
Betrokkene ontving vanaf 1 februari 2007 een WW-uitkering en kreeg toestemming om met behoud van uitkering werkzaamheden als zelfstandige te verrichten. Appellant stelde bij besluit van 28 januari 2011 vast dat betrokkene te veel voorschotten had ontvangen en vorderde €4.786,95 terug. Betrokkene stelde dat hij op grond van een mededeling van zijn re-integratiecoach erop vertrouwde dat alleen inkomsten over de startperiode zouden worden verrekend.
De rechtbank oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde en vernietigde het terugvorderingsbesluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de aantekening “Afrekening volgt binnen enkele weken” onvoldoende specifiek was om gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat alleen de startperiode zou worden meegenomen.
De Raad bevestigt dat de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 3 van Pro het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW, voorschrijven dat inkomsten over het aanvangsjaar en het daaropvolgende jaar moeten worden betrokken bij de berekening. De terugvordering is daarmee terecht en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het terugvorderingsbesluit herroept. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde voorschotten WW-uitkering blijft in stand; het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.