ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1911
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering
Appellant, geboren in 1937 in Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering vanwege diverse gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting, waaronder rampokken van zijn ouderlijke woning, mishandelingen door Japanners en confrontaties tijdens de Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, omdat de door appellant opgevoerde feiten niet ondersteund werden door objectieve gegevens die specifiek op zijn situatie betrekking hadden. Het verblijf in het gouvernementsgebouw te Solo werd niet als oorlogsgeweld in de zin van de WUBO aangemerkt, omdat dit gebouw als beschermingskamp diende.
De Raad benadrukte dat verklaringen van appellant en zijn familieleden onvoldoende waren om de erkenning te rechtvaardigen. Hoewel erkend werd dat appellant angstige omstandigheden had meegemaakt, voldeed dit niet aan de strikte criteria van de WUBO. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsgeweld in de zin van de WUBO.