ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2024

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
10-5795 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWArt. 45 WWArt. 16 WWArt. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over loongerelateerde WW-uitkering en dagloonberekening

Appellante stelde bezwaar tegen besluiten van het UWV waarin werd bepaald dat haar WW-uitkering per 1 september 2006 niet tot uitbetaling kwam vanwege een toegekende herplaatsingstoeslag en dat haar dagloon per 1 januari 2009 was vastgesteld op € 57,77. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel voor zover het besluit van 20 februari 2009 betreft.

De Raad oordeelt dat het UWV onterecht heeft aangenomen dat appellante geen recht had op uitbetaling van de loongerelateerde WW-uitkering per 1 september 2006 vanwege de herplaatsingstoeslag. Het UWV wijzigde haar standpunt en baseerde de niet-uitbetaling op het verstrijken van de termijn van 26 weken na de einddatum van de uitkering, waarbij artikel 35 van Pro de WW werd toegepast.

Met betrekking tot de dagloonberekening per 1 januari 2009 stelt de Raad vast dat het UWV de referteperiode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 correct heeft vastgesteld, conform artikel 45 van Pro de WW en eerdere jurisprudentie. Het verzoek van appellante om een ontbindingsvergoeding mee te rekenen in het dagloon wordt afgewezen omdat deze niet binnen de referteperiode is betaald.

De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af, veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Uitkomst: Het besluit van het UWV over de niet-uitbetaling van de loongerelateerde WW-uitkering per 1 september 2006 wordt vernietigd, de referteperiode voor het dagloon is juist vastgesteld, en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

10/5795 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
14 september 2010, 09/2823 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 8 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2011. Voor appellante is verschenen mr. P.J. de Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser en mr. P.C.P. Veldman.
Het onderzoek is heropend.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en een stuk ingezonden.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 november 2012. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 2 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 20 februari 2009 en 23 februari 2009. Bij het besluit van 20 februari 2009 is bepaald dat appellante per 1 september 2006 recht heeft op een loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat appellante per 1 september 2006 een herplaatsingstoeslag is toegekend. Bij besluit van 23 februari 2009 is bepaald dat appellante per 1 januari 2009 recht heeft op een uitkering ingevolge de WW berekend naar een dagloon van € 57,77.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep met betrekking tot de materiële rechtsverhouding tussen partijen gelijke gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij heeft betoogd dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de WW-uitkering per 1 september 2006 niet tot uitbetaling komt. Voorts heeft het Uwv volgens appellante een onjuiste referteperiode genomen ter berekening van het dagloon per 1 januari 2009. Gezien de volgens appellante geldende referteperiode, dient een bedrag van € 33.309,- bruto aan door de kantonrechter vastgestelde ontbindingsvergoeding te worden betrokken bij de berekening van dit dagloon.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 24 mei 2012 het in het besluit van 20 februari 2009 en het bestreden besluit vervatte standpunt verlaten dat de WW-uitkering per 1 september 2006 niet tot uitbetaling komt, op de grond dat appellante per 1 september 2006 een herplaatsingstoeslag is toegekend. Het Uwv stelt zich thans op het standpunt dat de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellante met ingang van
1 september 2006 recht had op een loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er aan haar situatie niets zou veranderen zou zij recht op deze uitkering hebben tot en met 29 februari 2008. Per 1 september 2006 komt de uitkering niet tot uitbetaling omdat, door het laattijdig niet ingevolge een melding of aanvraag van appellante maar ingevolge een ambtshalve genomen besluit van 20 februari 2009, meer dan 26 weken zijn verstreken na de vermelde einddatum. Het Uwv heeft hierbij klaarblijkelijk artikel 35 van Pro de WW van toepassing geacht.
4.2. Nu het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het besluit van
20 februari 2009, in hoger beroep door het Uwv van een andere grondslag is voorzien, omdat het nader van oordeel is dat het bestreden besluit in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag berust, heeft de rechtbank het bestreden besluit in zoverre ten onrechte in stand gelaten. In zoverre zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is in zoverre gegrond en in zoverre dient dat besluit te worden vernietigd.
4.3. Ter beoordeling of de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde bestreden besluit in stand moeten worden gelaten, dient te worden vastgesteld dat appellante de juistheid van die nadere grondslag van het bestreden besluit niet heeft bestreden. Ook overigens is niet gebleken dat de thans aan het bestreden besluit gegeven motivering ondeugdelijk is dan wel dat dat besluit in zoverre anderszins in strijd is met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten.
4.4. Met betrekking tot het onderdeel van het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het besluit van 23 februari 2009, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat het Uwv de referteperiode ter bepaling van het dagloon per 1 januari 2009 met juistheid heeft gesteld op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008. Bepalend voor de berekening van de referteperiode is volgens artikel 45, eerste lid, van de WW, de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW, is ingetreden. Volgens de uitspraak van de Raad van 4 december 2008, LJN BG8432, is daarbij de feitelijke situatie van betrokkene bepalend. Appellante was feitelijk per 22 april 2008 door de werkgever ontheven van de verplichting om werkzaamheden te verrichten. Met ingang van deze laatste datum heeft zij daadwerkelijk geen arbeid meer verricht.
4.5. De rechtbank heeft de stelling van appellante, dat de door de kantonrechter ten laste van de werkgever van appellante vastgestelde ontbindingsvergoeding bij de berekening van het dagloon per 1 januari 2009 had moeten worden betrokken, gelet op hetgeen is overwogen in 4.4, terecht verworpen. Gezien het tijdstip van betaling van het desbetreffende bedrag is niet voldaan aan de voor het mogen meerekenen van dat bedrag geldende toepassingsvoorwaarde, neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, dat in de referteperiode dit bedrag aan appellante is betaald. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 6 januari 2012, LJN BV0618.
4.6. De hoger beroepsgrond, dat de rechtbank buiten de omvang van het aan haar voorgelegde geschil is getreden, behoeft geen bespreking, reeds omdat die grond betrekking heeft op een gedeelte van de aangevallen uitspraak dat zal worden vernietigd. De hoger beroepsgrond, die betrekking heeft op het door de rechtbank vermelden van een niet nader in haar beschouwing betrokken algemeen verbindend voorschrift, slaagt niet omdat het vermelden van dat voorschrift door de rechtbank een kennelijke misslag is, die geen gevolgen behoort te hebben voor het niet vernietigde gedeelte van die uitspraak, nu appellante door het vermelden van dat voorschrift in de aangevallen uitspraak geenszins in haar processuele belangen is geschaad.
5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten bedragen € 472,- aan verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 944,- aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze uitspraak betrekking heeft op het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2009 ongegrond is verklaard;
-verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het besluit van 20 februari 2009, gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
-laat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit geheel in stand;
-wijst het verzoek om schadevergoeding af;
-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.416,-;
-bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en T. Hoogenboom en
E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) G.J. van Gendt
TM