ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- T. Hoogenboom
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over loongerelateerde WW-uitkering en dagloonberekening
Appellante stelde bezwaar tegen besluiten van het UWV waarin werd bepaald dat haar WW-uitkering per 1 september 2006 niet tot uitbetaling kwam vanwege een toegekende herplaatsingstoeslag en dat haar dagloon per 1 januari 2009 was vastgesteld op € 57,77. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel voor zover het besluit van 20 februari 2009 betreft.
De Raad oordeelt dat het UWV onterecht heeft aangenomen dat appellante geen recht had op uitbetaling van de loongerelateerde WW-uitkering per 1 september 2006 vanwege de herplaatsingstoeslag. Het UWV wijzigde haar standpunt en baseerde de niet-uitbetaling op het verstrijken van de termijn van 26 weken na de einddatum van de uitkering, waarbij artikel 35 van Pro de WW werd toegepast.
Met betrekking tot de dagloonberekening per 1 januari 2009 stelt de Raad vast dat het UWV de referteperiode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 correct heeft vastgesteld, conform artikel 45 van Pro de WW en eerdere jurisprudentie. Het verzoek van appellante om een ontbindingsvergoeding mee te rekenen in het dagloon wordt afgewezen omdat deze niet binnen de referteperiode is betaald.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af, veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.
Uitkomst: Het besluit van het UWV over de niet-uitbetaling van de loongerelateerde WW-uitkering per 1 september 2006 wordt vernietigd, de referteperiode voor het dagloon is juist vastgesteld, en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.