ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2132

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-1900 WAO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij herzieningsverzoek WAO-uitspraak

Verzoeker heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juni 2012 met betrekking tot een WAO-uitspraak. Dit verzet is behandeld door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 februari 2013.

De Raad stelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het verzet vast en constateerde dat het verzetschrift niet tijdig was ingediend. De uiterste datum voor het indienen was 10 augustus 2012, terwijl het verzetschrift pas op 18 september 2012 werd ontvangen. Verzoeker gaf aan de uitspraak laat te hebben ontvangen, maar onderbouwde dit niet met bewijs.

De Raad oordeelde dat er geen verschoonbare reden was voor de termijnoverschrijding en verklaarde het verzet daarom niet-ontvankelijk. Een veroordeling in proceskosten werd niet opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter T.G.M. Simons, in aanwezigheid van griffier D.W.M. Kaldenhoven, en uitgesproken in het openbaar.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

12/1900 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 december 2011, 11/2050
Partijen:
[A. te B. ] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 in Pro verbinding met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 29 juni 2012 heeft de Raad het door verzoeker gedane verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 december 2011, 11/2050, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 29 juni 2012 heeft verzoeker verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 januari 2013, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 10 augustus 2012. Het door verzoeker ingediende verzetschrift is gedateerd 7 september 2012 en is op 18 september 2012 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus - ruim - overschreden.
Bij brief van 5 oktober 2012 heeft de Raad bij verzoeker geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding. Bij brief van 15 november 2012 heeft verzoeker geantwoord dat hij de uitspraak van de Raad van 29 juni 2012 laat heeft ontvangen. Deze stelling is echter niet met bewijsstukken of anderszins onderbouwd, zodat de Raad reeds om die reden daaraan voorbijgaat. Van andere feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande dient het verzet niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) déclare l’ opposition contre la présente décision interjeté non-recevable.
Par conséquent, décidée par T.G.M. Simons en présence de D.W.M. Kaldenhoven en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, 22 février 2013.