ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand wegens middelen uit nalatenschap zonder dringende redenen
Appellant ontving sinds 1992 bijstand en meldde in 2009 het overlijden van zijn moeder. In april 2010 kreeg hij een bedrag van €50.000 uit haar nalatenschap. Het college trok de bijstand met ingang van 3 april 2009 in vanwege het overschrijden van het vrij te laten vermogen en vorderde de kosten van bijstand over de periode tot april 2010 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college hem had tegengewerkt en dat hij zich verdienstelijk had gemaakt, waardoor terugvordering onredelijk zou zijn. De Raad oordeelde dat artikel 58 WWB Pro terugvordering mogelijk maakt zodra middelen beschikbaar zijn en dat het college bevoegd was tot terugvordering.
De Raad vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen schadevergoeding toegekend en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten wegens middelen uit nalatenschap zonder dringende redenen om af te zien.