ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen invorderingsbesluit op grond van artikel 96 Abw
Appellant was verplicht tot betaling van een bedrag aan zijn ex-echtgenote op grond van een echtscheidingsbeschikking. Het college van burgemeester en wethouders van Brunssum heeft op basis van artikel 96 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) de kosten van bijstand die aan de ex-echtgenote waren verleend, op appellant verhaald.
Het dagelijks bestuur heeft op 3 april 2008 een besluit genomen tot invordering van een openstaande vordering van € 3.560,14 en een betalingsregeling vastgesteld. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht tevens om vergoeding van de kosten van het bezwaar. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het besluit niet vatbaar is voor bezwaar op grond van artikel 7:1 in Pro verbinding met artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en oordeelde dat het besluit een invorderingsbesluit is waartegen geen bezwaar mogelijk is, maar dat appellant tegen het besluit wel verzet kan instellen bij de rechtbank. Appellant stelde zich in hoger beroep op meerdere gronden, waaronder onjuiste rechtsmiddelenvereisten en vermeende vooringenomenheid van het dagelijks bestuur. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard, dat het besluit niet onrechtmatig is en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden bevestigd kan worden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 3 april 2008 wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.