ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep stelt proceskostenvergoeding bij bezwaar en beroep vast in WWB-zaak
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en maakte bezwaar tegen het gedeeltelijk niet uitbetalen van bijstand over juli en augustus 2011, alsmede tegen de blokkering van de bijstand vanaf oktober 2011. Het college verklaarde sommige bezwaren niet-ontvankelijk en kende een vergoeding van € 437 toe voor kosten van rechtsbijstand.
De rechtbank stelde de vergoeding bij tot € 1.311 voor bezwaar en € 218,50 voor beroep, uitgaande van de wegingsfactor 'zeer licht' en drie proceshandelingen. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de wegingsfactor 'gemiddeld' van toepassing is en dat er vier proceshandelingen waren.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de wegingsfactor 'zeer licht' toepaste en dat vier proceshandelingen moeten worden meegeteld, omdat beide bezwaarzaken op één hoorzitting aan de orde waren. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en stelde de vergoeding zelf vast op € 3.776, inclusief het betaalde griffierecht van € 115.
De Raad hield rekening met de per 1 januari 2013 gewijzigde waarde per punt van € 472, die ook geldt voor proceshandelingen van vóór die datum. Het college moet de kosten van rechtsbijstand voor bezwaar en beroep volledig vergoeden.
Uitkomst: De Raad stelt de proceskostenvergoeding vast op € 3.776 en veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht van € 115.