Art. 9 WWBArt. 18 WWBArt. 7 Maatregelverordening Inkomensvoorziening gemeente Den HaagArt. 11 Maatregelverordening Inkomensvoorziening gemeente Den HaagArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan arbeidsinschakeling herzien
Appellant ontving bijstand en werd verplicht mee te werken aan arbeidsinschakelingstrajecten. Hij zegde meerdere afspraken af zonder geldige redenen en verscheen eenmaal niet op een gesprek. Het college legde een verlaging van 100% van de bijstand op wegens niet meewerken aan een traject.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gedraging van de tweede categorie (volledige weigering deelname aan traject). Wel was sprake van een gedraging van de eerste categorie: onvoldoende medewerking aan onderzoek naar arbeidsinschakeling.
De Raad vernietigde het besluit en stelde de verlaging vast op 30% gedurende één maand, passend bij de ernst van de gedraging en eerdere aankondiging. Tevens werd het college veroordeeld in proceskosten en griffierechten. Hiermee werd het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit aangepast.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt met ingang van 1 september 2010 gedurende één maand verlaagd met 30%.
Uitspraak
11/3154 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2011, 10/8851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak 26 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2013, waar appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 23 april 2010 heeft het college appellant met ingang van 10 april 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft appellant daarbij meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem van toepassing zijn.
1.2. Bij brief van 12 april 2010 heeft een consulent van de afdeling Startbaan van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten appellant uitgenodigd voor een gesprek op 20 april 2010. Omdat appellant had afgezegd is appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 29 april 2010. Ook deze afspraak heeft appellant afgezegd, omdat hij een vakantie had gepland. Bij brief van 29 april 2010 heeft de consulent appellant uitgenodigd voor een “hoor en wederhoor gesprek” op 11 mei 2010. Tijdens dit gesprek is appellant meegedeeld dat hem in verband met het zonder geldige reden afzeggen van afspraken door het college een voorwaardelijke maatregel van 30% zal worden opgelegd.
1.3. Op verzoek van het college heeft Achmea Vitale op 21 mei 2010 een medisch advies uitgebracht. Hieruit komt naar voren dat appellant met inachtneming van zijn knie- en schouderbeperkingen in staat is om 36 uur per week werkzaamheden te verrichten.
1.4. Bij brief van 1 juni 2010 heeft de consulent appellant uitgenodigd voor een gesprek op 8 juni 2010. Deze afspraak heeft appellant afgezegd in verband met de viering van zijn verjaardag. Op 7 juni 2010 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 15 juni 2010. Ook deze afspraak heeft appellant afgezegd, omdat hij “niet voor of achteruit” kon. Bij brief van
17 juni 2010 heeft de consulent appellant uitgenodigd voor een gesprek bij de afdeling Startbaan op 29 juni 2010. Op dit gesprek is appellant verschenen. Tijdens dit gesprek is hem meegedeeld dat hij zou gaan deelnemen aan Act4Work. De consulent heeft naar aanleiding van dit gesprek echter besloten appellant aan te melden voor een psychologisch onderzoek bij Diagnose Service. Bij brief van 6 juli 2010 is appellant uitgenodigd voor een vervolggesprek op 13 juli 2010. Appellant is op dit gesprek, zonder opgaaf van redenen, niet verschenen.
1.5. Bij besluit van 11 augustus 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2010 verlaagd met 100% gedurende een maand. Hieraan heeft het college, onder verwijzing naar artikel 18 vanPro de WWB en artikel 7 vanPro de Maatregelverordening Inkomensvoorziening van de gemeente Den Haag (verordening), ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan een traject via Startbaan.
1.6. Op 18 augustus 2010 is appellant onderzocht door een psycholoog van de afdeling Psychodiagnostiek van Diagnose Service. Blijkens het rapport wordt geadviseerd, om de kans op succesvolle en duurzame uitstroom te vergroten, een rusttraject in te zetten voor de duur van zes maanden.
1.7. Bij besluit van 25 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2010 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant, door afspraken steeds af te zeggen of door niet te komen, niet heeft voldaan aan zijn verplichting om mee te werken aan een traject gericht op arbeidsbemiddeling. Door te volharden in het geen gehoor geven aan de uitnodigingen van de consulent, heeft appellant zich niet coöperatief opgesteld en heeft hij zijn bemiddeling naar de arbeidsmarkt ernstig gefrustreerd. Appellant heeft niet op een verifieerbare objectieve wijze kunnen aantonen dat hij gerechtvaardigd de afspraken afbelde. In navolging van het advies van het psychodiagnostisch onderzoek is de bemiddeling door Startbaan tijdelijk gestaakt. Dit billijkt echter niet het gedrag van appellant ten aanzien van het afzeggen of niet verschijnen. Het college ziet het gedrag als verwijtbaar niet meewerken aan bemiddeling en is dan ook van oordeel dat de uitkering terecht is verlaagd met 100% gedurende één maand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd op de hierna te bespreken gronden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de onder 1.3 nader aangeduide verordening.
4.3. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 april 2011, LJN BQ3331) is het niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, te weten arbeidsinschakeling, te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr 3, blz. 5 en 6). Het college dient voorts aan de belanghebbende kenbaar te maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de individuele feiten en omstandigheden, is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd.
4.4. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het niet meewerken aan een traject via Startbaan.
4.5. Het college heeft de appellant verweten gedragingen aangemerkt als gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de verordening: geen gebruik maken van de door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening leidt dit in beginsel tot een verlaging van 100% voor de duur van één maand.
4.6. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij Startbaan in bemiddeling was voor een traject. Blijkens het rapport van Startbaan van 19 juli 2010 is appellant tijdens het gesprek met de consulent op 29 juni 2010 meegedeeld dat hij zou gaan deelnemen aan Act4Work. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat aan appellant een te ondertekenen overeenkomst is voorgelegd of een omschrijving van de hem aangeboden werkzaamheden is gegeven. Appellant heeft dit ter zitting ook bevestigd. Voorts heeft de consulent na afloop van dit gesprek kennelijk aanleiding gezien om bij appellant, voorafgaand aan zijn deelname aan Act4Work, een psychodiagnostisch onderzoek te laten verrichten. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellant, zoals het college stelt, niet heeft meegewerkt aan een traject via Startbaan. Van een definitieve aanmelding van appellant voor een traject was nog geen sprake. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gedraging van de tweede categorie als hiervoor vermeld en heeft de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Bij het bestreden besluit is die verlaging dus ten onrechte gehandhaafd.
4.7. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet, met het oog op de finale beslechting van dit geschil, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en overweegt hiertoe het volgende.
4.8. De Raad is op grond van de gedingstukken van oordeel dat appellant de op hem ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB rustende verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling niet is nagekomen en dat hem dit kan worden verweten. Daarbij is sprake van een gedraging van de eerste categorie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening: het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
4.9. Appellant heeft, in het kader van zijn bemiddeling door Startbaan, een reeks van uitnodigingen voor een gesprek met de consulent telefonisch of schriftelijk afgezegd, zonder dat hij hiervoor steeds een geldige reden had. Daarnaast is appellant één keer zonder bericht niet op een gesprek met de consulent verschenen. De stelling van appellant dat hij zich wel aan alle afspraken met de consulent heeft gehouden, slaagt dus niet. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening wordt bij een gedraging van de eerste categorie een maatregel opgelegd van 30 tot 40% van de uitkering of grondslag voor de duur van één maand. De Raad acht hier een maatregel van 30%, gelet op de onder 1.2 vermelde aankondiging van een voorwaardelijke maatregel met dat percentage, gerechtvaardigd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd over de ernst van de gedraging, de mate waarin hem de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, is geen grond gelegen om de maatregel op een lager percentage vast te stellen. De Raad zal daarom het besluit van 11 augustus 2010 herroepen in die zin dat de verlaging van de bijstand wordt vastgesteld op 30% gedurende één maand met ingang van 1 september 2010.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2,56 in beroep en € 24,66 in hoger beroep voor door appellant gemaakte reiskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;
- herroept het besluit van 11 augustus 2010;
- bepaalt dat de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2010 gedurende één
maand wordt verlaagd met 30% van de toepasselijke bijstandsnorm en bepaalt dat deze
uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 oktober 2010;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 27,22;
- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2013.