ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding terugvordering bijstand wegens verwijtbaar gedrag
Appellant had bijstand ontvangen die later ten onrechte bleek te zijn verleend. Het college van burgemeester en wethouders van Roermond vorderde de kosten van deze bijstand terug en stelde een betalingsregeling vast. Appellant verzocht vervolgens om kwijtschelding van de resterende vordering en terugbetaling van reeds betaalde termijnen, wat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er bijzondere omstandigheden waren, waaronder een vermeende toezegging van een bijstandsconsulent in 1993 dat hij met behoud van uitkering als zelfstandige mocht werken, en dat een verslag van dat gesprek ten onrechte was vernietigd. Ook stelde appellant dat een koffertje dat bij zijn aanhouding in 1999 in beslag was genomen nooit was teruggegeven, wat volgens hem tot onrechtvaardigheid leidde.
De Raad oordeelde dat de terugvordering terecht was wegens verwijtbaar gedrag van appellant, zoals eerder vastgesteld in een uitspraak uit 2010. De gestelde bijzondere omstandigheden werden niet aannemelijk geacht; de vermeende toezegging en het vernietigde verslag konden niet opnieuw worden behandeld, en het gesprek met burgemeester en portefeuillehouder bood geen aanknopingspunten voor bijzondere omstandigheden. Het bewijs omtrent het koffertje was onvoldoende om als bijzondere omstandigheid te gelden.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de terugvordering bijstand wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.